socrates

Mensen, van nature cultuurwezens -
humanisme en levensstijl

Jan Glastra van Loon
Socrateslezing 1987

< INHOUD >
< Inleiding >
<mensbeeld >

<Levensstijl>
< Paradox van de geschiedenis >
<Oude strijd en nieuw programma >
<Geweld >
<Intellectualistisch humanisme>
<Slot>

INLEIDING

Als een mens geen van de in zijn cultuur passende kledingsstukken aan heeft, is hij niet alleen bloot, maar voelt hij zicn ook onaangekleed. Als hij niet weet, hoe zich in een bepaalde situatie te gedragen, voelt hij zich ongemakkelijk. Als hem iets overkomt waar hij op geen enkele manier raad mee weet, dan barst hij uit in tranen of in lachen. Als hij geen perspectief meer ziet in zijn leven en met zichzelf in de knoop raakt, is hij geneigd tot destructief, soms ook tot zichzelf vernietigend gedrag.
Dit zijn maar enkele voorbeelden die laten zien dat mensen niet aan hun natuurlijke staat genoeg hebben, niet probleemloos alleen maar kunnen zijn-zoals-zij-zijn, ieder afgezonderd in zijn eigen vel; dat zij geen 'nis' hebben in de natuur, geen natuurlijke verblijfplaats in de wereld, maar zich dat alles nog moeten eigen maken, verwerven en verschaffen. Kortom, dat mensen van nature cultuurwezens zijn (Helmuth Plessner). 'Terug naar de natuur', is dan ook geen natuurlijk proces, maar een culturele beweging.
De levensloop van mensen is evenals die van alle levende wezens afhankelijk van een wisselwerking van erfelijke eigenschappen en milieufactoren. Maar hij is daardoor maar zeer ten dele, beduidend minder dan andere organische wezens, gedetermineerd. Mensen kunnen aan die verhouding tot hun omgeving zelf vorm en inhoud geven.
Een mens is een 'nicht festgestelltes Tier' (Nietzsche). Maar hij is ook (positief) een wezen dat zich van zijn gedragingen en van de verhoudingen tot elkaar en tot zijn omgeving bewust is en voor wie het verloop van zijn leven daarom een positieve of negatieve betekenis kan hebben. Mensen zijn wezens die het in hun leven om het leven gaat (Heidegger). Zij kunnen vragen stellen over alles, ook over zichzelf, en hebben behoefte aan antwoorden daarop. Zij leven met voorstellingen en opvattingen van zichzelf en hun verhoudingen tot anderen en de dingen om hen heen.
Die voorstellingen, die levens- en wereldbeelden, hebben verschillende functies. Zij geven zin en richting aan ons leven en bieden houvast voor het handelen. Zij vertellen ons wat onze plaats is in de wereld en onze rol ten opzichte van anderen. Zij brengen orde in ons bestaan en verschaffen ons een identiteit. Wij zijn dus ook niet alleen direct, maar ook indirect - via onze voorstellingen van onszelf - met anderen en de wereld verbonden. Die indirecte verbondenheid is voor ons van bijzonder belang, omdat we via haar in onze directe banden en relaties met onze omgeving kunnen ingrijpen. (Of dat juist kunnen nalaten.) Zo zijn zèlfs onze vormen van natuurlijkheid en spontaniteit toch indirect, dus cultureel, bepaald. Wanneer wij lachen, wanneer wij huilen, hoe wij lachen en huilen, hoe wij onze gevoelens uiten, hoe wij dansen, hoe we zingen, hoe we paren, met wie we paren, hoe we vechten en met wie we vechten, niets van wat wij doen en weinig van wat ons overkomt, is helemaal en alleen natuurlijk bepaald. Vrijwel alles van ons leven is cultureel gevormd. In dat kader, in dat licht moeten we dan ook verstaan wat gezegd is door een man die dat met zijn leven gedemonstreerd heeft als vrijwel geen ander, de uitspraak namelijk van Pablo Picasso (ik ken haar alleen in deze Engelse versie): 'It takes one a long time to become young'.

2. Mensbeeld
Het beeld dat wij hebben van onszelf - en dan bedoel ik niet alleen de bijzondere voorstellingen die ieder van ons heeft van zichzelf als individu, maar vooral zijn voorstelling van wat het betekent mens te zijn: jouw menszijn èn dat van al die anderen met jou, vóór en nà jou - dat mensbeeld speelt een onmisbare rol in ons menszijn, het maakt wie wij zijn en wat wij zijn. Het is even onmisbaar voor ons menszijn als een hart dat is voor onze bloedsomloop. En U weet, dat kan ook het hart van een ander zijn.
Als we het hebben over een mensbeeld, dan zijn we geneigd te denken aan iets dat we ons voor ogen kunnen houden, zoiets als het portret aan de muur, maar dan in de donkere kamer van ons bewustzijn. lets dat we kunnen zien met ons geestesoog en dus kunnen beschrijven, onder woorden kunnen brengen. Dat is niet onwaar, niet helemaal ernaast, maar het is wel een erg eenzijdige, intellectualistische voorstelling van een mensbeeld - en daarmee meteen van onszelf.
Het beeld dat we hebben van onszelf, vertolken en kennen we op heel veel manieren: in woorden en in gedragingen, in visuele en in andere zintuigelijke gedaantes, in rites en verhalen, in poëzie en in staatsvormen, in spirituele en in zinnelijke vormen.
Dat beeld is ook niet iets dat we op een of andere mentale manier alleen maar hebben, we zijn het ook in ons doen en laten. Dus niet op de manier waarop een ding iets is - groot of klein, zwart of blank, blond of bruin - maar als voor ons doen en laten aanspreekbare subjecten. Als mensen die zich bloot of aangekleed kunnen voelen en die zich onder andere daarover zorgen kunnen maken. Zó, en niet als een ding en niet als de resultante van een aantal op elkaar inwerkende krachten, kennen wij onszelf en elkaar en op die basis gaan we ook met elkaar om.
Aanspreekbaar voor zijn doen en laten - dat betekent niet alleen aanspreekbaar voor telkens een afzonderlijke gedraging en de gevolgen daarvan (zoals dat juridisch het geval is), maar ook aanspreekbaar voor de manier waarop wij ons gedragen en voor de manier waarop wij ons leven inrichten en waarop we omgaan met anderen en met ons natuurlijk milieu, de mate waarin wij daarbij rekening houden met de gevolgen van ons doen en laten, hoe wij die ten opzichte van elkaar wegen enzovoorts - aanspreekbaar als morele subjecten dus.

3. Levensstijl
Voorzover de manieren van doen en de inrichting van het leven van een of meer mensen zo met elkaar zijn verbonden, dat zij als een samenhangend geheel worden ervaren, zou ik willen spreken van een levensstijl. Een levensstijl is dus niet alléén maar een kwestie van stijl en zeker niet alleen maar van uiterlijke vorm en vertoon. Het is dat ook, maar het is dat als uitdrukking van een opvatting die mensen hebben van zichzelf en dus bijvoorbeeld niet alleen maar als een kwestie van smaak of van mode (al kan het feit dat die meetellen iets zeggen over de zelfopvatting van mensen). Een levensstijl heeft niet alleen uiterlijke, maar ook een innerlijke samenhang en eenheid.
Zo is er een katholieke, een protestants christelijke en een mohammedaanse levensstijl. Zij zijn ieder geworteld in een bepaald mensbeeld (als een wezen met een onvergankelijke ziel dat tijdelijk een lichaam op aarde bewoont, als schepsel van een almachtige god die ook de wereld heeft geschapen, als een wezen dat is belast met een erfzonde enzovoorts). Is er, kan er op een overeenkomstige manier sprake zijn van een humanistische levensstijl? Of verzet onze opvatting van de mens als een wezen dat over zichzelf kan beschikken, dat zelf zijn leven zin en vorm moet geven, zich daartegen?
Die conclusie zou alleen gewettigd zijn, wanneer humanisten hun vermogen tot zelfbeschikking zagen als een absoluut vermogen. Dan zou er immers van geen enkele ge- en verbondenheid van mensen - met elkaar, met hun omgeving, met zichzelf - sprake kunnen zijn, behalve voorzover die door henzelf wordt gewild. Geen mens zou tot iets verplicht kunnen zijn, ieder zou alleen het gezag van zijn / haar eigen wil erkennen en ook dat alleen voorzover en voor zolang als hem / haar dat belieft. Het zou met onze wil zijn gesteld als met die van het volk waarover de afgevaardigde Sáyès, in de constituerende vergadering van de Franse volksvertegenwoordiging na de revolutie zich met lichte wanhoop afvroeg, hoe de wil van het volk vandáág de wil van het volk mórgen zou kunnen binden? Dit mondt uit in volstrekt decisionisme - iedere beslissing telt, alleen beslissingen tellen, maar alleen zolang als zij worden genomen - en in nihilisme.
Ons vermogen tot zelfbeschikking is geen los van al het andere staand, geen zelfstandig vermogen. Integendeel, het bestaat alleen op grond van de manier waarop wij zijn georganiseerd als levende wezens, ieder als een individu op zichzelf en met elkaar, maatschappelijk en historisch, in wisselwerking met ons natuurlijke milieu - zowel in de vorm van onze natuurlijke stofwisseling als in die van de bebouwing en instrumentalisering, het als tekens inlijven in ons handelen en het als beelden tegenover ons plaatsen van onderdelen van onze omgeving. Iedere daad van zelfbeschikking is alleen mogelijk in dat grotere verband. Hij rust daarop, is daardoor mogelijk en wordt erdoor beperkt.
Zingeving aan ons bestaan is dan ook niet als een schepping uit het niets, maar als een vormgeving van iets dat al bestaat, of beter: de uitleg van een situatie waarin wij ons bevinden en die vragen bij ons oproept waarop wij antwoorden moeten geven. Die antwoorden worden door onszelf gegeven, maar het zijn daarom nog geen vrije creaties of pure verzinsels. Het zijn dat evenmin als het dictaten of decreten zijn die van buitenaf aan ons worden opgelegd.
Iedere daad van zelfbeschikking en zingeving knoopt aan bij een situatie waarin wij ons bevinden en verandert deze. Zij verandert deze in de eerste plaats, doordat wij ons overeenkomstig háár uitleg van onze relatie-tot-onze-omgeving gedragen. Zij doet dat bovendien, doordat zij een bodem schept voor nieuwe vragen over die relatie waarop wij nieuwe antwoorden moeten vinden die op hun beurt op een overeenkomstige manier, maar anders, ons handelen zullen sturen als hun voorgangers.
Zo vindt een voortdurende wisselwerking plaats van heden met verleden waaruit toekomst ontstaat. Zo ontstaat èn voltrekt zich geschiedenis: een proces waarvan wij zowel de makers als de maaksels, de producenten en de producten zijn. Dat ons bepaalt, maar dat ook - en daarvoor verschilt het van een louter natuurlijk, is het een cultureel proces - door ons wordt bepaald.

4. Paradox van de geschiedenis
Inzicht in de manier waarop de situatie waarin wij ons bevinden, historisch is bepaald, versterkt het beeld van onze afhankelijkheid van het verleden. Het vergroot echter tegelijkertijd onze zelfstandigheid ten opzichte van die situatie, doordat het de mogelijkheid vergroot met meer inzicht op haar te reageren en zo onze toekomst te bepalen. Of wij ieder zelf de analyse van ons verleden uitvoeren en inzicht verwerven in zijn betekenis voor onze gedraginqen nu of dat wij daarvoor de hulp van een ander inroepen, bijvoorbeeld een deskundige, maakt voor het paradoxale karakter van geschiedenis en van de verhouding van onszelf tot onze omgeving principiëel geen verschil. Wij bepalen haar en wij worden door haar bepaald. Inzicht in onze bepaaldheid vergroot onze mogelijkheden haar te bepalen.
Hoe wij van die mogelijkheden gebruik maken, hangt weer noch alleen van omstandigheden buiten ons, noch louter van onszelf af. Wij zijn daarbij noch alleen maar een speelbal van onze omgeving, noch in volstrekte vrijheid beslissende subjecten, onveroorzaakte veroorzakers of onbepaalde bepalers. Wij zijn zowel het een als het ander, zowel passief als actief in onze geschiedenis betrokken, haar makers en haar maaksels.
Dat zijn niet maar twee gezichtspunten die wij beurtelings kunnen innemen, zodat wij onszelf afhankelijk van onze stemming en behoeften nu eens als het een, dan weer als het ander kunnen beschouwen om ons dienovereenkomstig te gedragen: om kinderen van geschiedenis te kunnen zijn, moeten wij haar ook voortbrengen; om haar te kunnen voortbrengen, moet zij ons al in en buiten onszelf een bodem geven om op te staan.
Er zijn verschillende manieren om deze paradox van de geschiedenis te verhullen. De eenvoudigste is die waarbij ik anderen aanwijs als oorzaak van mijn onvrijheid of een zondebok aansprakelijk stel voor alles wat mijn wil en wensen doorkruist: in míj de bron van mijn vermogen tot zelfbeschikking, bij hen de oorzaak van mijn onvermogen dat ten volle te ontplooien. Aan die visie kan een heel maatschappelijk en politiek programma worden vastgeknoopt. Maar een stap verder ligt de veronderstelling dat niet waarneembare anderen, maar duistere krachten of demonen achter ons aller ruggen om aan de touwtjes trekken en ons zo dwingen naar hun pijpen te dansen. Er is ook een manier waarop de in onszelf schuilende paradox van vrijheid in onvrijheid met een reuzenstap definitief de wereld uit lijkt te worden getild, die namelijk waarbij wat zich in onze ervaring manifesteert als een koppel van twee onlosmakelijk met elkaar verstrengelde geliefden wordt verklaard tot een tijdelijke schijn waarachter twee permanent gescheiden werkelijkheden schuil gaan: een rijk van eeuwige vrijheid en een rijk van niet minder eeuwige en onveranderlijke noodzakelijkheid.
Wanneer deze tweedeling wordt ingevoerd louter als een begrippenschema, een hulpconstructie, een kapstok ter ondersteuning van ons denken over onszelf, dan levert zij een verheldering op in vergelijking tot de eerder genoemde pogingen om aan de paradox van het menselijk bestaan als een historisch proces te ontsnappen. Maar wanneer voor de begrippen een werkelijkheid in de plaats wordt gesteld, wanneer de denkconstructie wordt omgezet in twee op zichzelf bestaande werelden buiten onze ervaring, dan doen wij onze ervaring en onszelf geweld aan. Op dat moment verklaren wij immers de in onze ervaring optredende paradox dat wij zowel makers als maaksels van geschiedenis zijn tot schijn ten gunste van een voorstelling van een die paradox opheffende, uit twee afzonderlijke werelden bestaande werkelijkheid buiten onze ervaring. Wij diskwalificeren met andere woorden onze ervaring ten gunste van de voorstelling van de werkelijkheid die per definitie van die ervaring geen deel uit kan maken. Wij zetten, nog anders gezegd, onze ervaring buiten spel om een werkelijkheid die buiten onze ervaring zou bestaan, daaraan ten grondslag te kunnen leggen.
Met die diskwalificatie van onze ervaring ten gunste van de voorstelling van die werkelijkheid buiten onze ervaring hebben wij onszelf de mogelijkheid van een toetsing van zulke voorstellingen aan onze ervaring ontnomen. Wij worden zo de marionetten van onze voorstellingen. Daarmee doet noch het rijk van de vrijheid noch dat van de noodzakelijkheid zijn intree in de geschiedenis, maar dat van de absolute scepsis en dat van het dogma. Er is dan nog alleen maar ruimte om te geloven wat men geloven wil.
De uitwerking en invulling van de twee rijken of werelden kan dan ook nog allerlei vormen aannemen, zoals die van hel en hemel, rijk van de duisternis en rijk van het licht tot en met die van het rijk der zinnen en het rijk van de rede. Waar het mij nu om gaat, is de antropologische wortel van zulke voorstellingen van een eeuwige, buiten onze ervaring gelegen werkelijkheid op te sporen en vervolgens na te gaan wat de consequenties daarvan zijn voor de levensstijl of cultuur van mensen. Het is er mij daarbij niet om te doen die levensstijl of cultuur te beoordelen. Daarvoor zou de lange antropologische omweg die ik heb gemaakt, niet nodig zijn. Waar het mij om gaat, is een onderscheid te maken tussen wat in het gemeenschappelijke erfgoed van onze moderne westerse beschaving wèl en wat daarin niet met een humanistische levenshouding te verenigen is.
Dat - en niet bijvoorbeeld een beoordeling, laat staan een veroordeling van de levensstijl van anderen - is voor ons van vitaal belang, want een levensstijl kan niet uit een of meer principes of grondstellingen worden gededuceerd. Hij kan alleen in een groter en dat is ook een historisch verband door mensen als een aanvulling en uitwerking van hun natuurlijke onnatuurlijkbeid, hun onaf zijn, de onbepaaldheid van hun relaties tot zichzelf, tot elkaar en tot hun natuurlijk milieu, worden ontwikkeld. Het is niet iets dat uit een cultureel vacuüm kan worden voortgebracht, het vereist een wisselwerking van ons in ons heden met ons verleden met het oog op onze toekomst. Het is, kortom, iets dat wij moeten maken, maar waarvoor tegelijkertijd wat voorgangers van ons gemaakt hebben, een noodzakelijke voorwaarde is.

5. Oude strijd en nieuw programma
Tot onze voorgangers behoren onder anderen christenen. Wat zij ons en de mensheid als uitvloeisel van hun dogmatisme en hun zendingsdrang hebben nagelaten, behoort beslist niet allemaal tot datgene in ons cultuurgoed waarvan wij moeten hopen dat het ook in de toekomst mensen zal motiveren en leiden. Wat humanisten in hun strijd tegen de dehumaniserende uitwassen van christelijke geloofsijver hebben ontwikkeld, behoort daar wel bij. Maar de tijd is intussen ook aangebroken, waarin die strijd niet meer het hoofdmotief kan zijn voor ons op de toekomst gerichte handelen. Het rad van de geschiedenis is een kwartslag verdergedraaid en vertoont andere, niet of maar heel ten dele uit christelijke bronnen voortgekomen ontwikkelingen die een veel grotere bedreiging voor de mensheid vormen.
Ik denk nu natuurlijk in de eerste plaats aan de voortschrijdende verwoesting van ons natuurlijke milieu, aan de ontwikkeling van kernwapens en aan de risico's verbonden aan genetische manipulatie. Ik denk ook aan vormen van fundamentalisme die in verschillende geloofs- en geestesstromingen hun kop opsteken en die van de genoemde bedreigingen sterke impulsen krijgen.
Wie in de schaduw van die ontwikkelingen de oude strijd wil blijven voortzetten, de oude strijdliederen wil blijven zingen, de oude tactieken wil blijven gebruiken, die moet met blindheid zijn geslagen. Dat geldt voor humanisten, dat geldt voor christenen, dat geldt voor iedereen onverschillig zijn of haar geloof of levensovertuiging. Het geldt weliswaar niet voor iedereen en in alle landen en culturen op dezelfde manier, het geldt wel voor ieder en overal met dezelfde urgentie.
Ik denk dat dit het belangrijkste uitgangspunt is voor de ontwikkeling van een humanistische levensstijl in het gewricht van onze tijd en dat de uitwerking van zo'n levensstijl vanuit dat inzicht de belangrijkste taak is waarvoor de gevaren en de mogelijkheden van onze cultuur ons stellen. Dat zal een levensstijl zijn zonder vaandels en vlaggen, zonder strijdliederen en donderpreken, zonder zondebokken, heksen en duivels, van hoge waakzaamheid, maar getemperde hartstocht behalve als het gaat om tolerantie van anderen, van openheid voor anderen en van besef van de menselijke kwetsbaarheid die daarmee in het geding komt en, last but not least, van bezinning op eigen motieven, eigen achtergronden, eigen manifeste en verborgen veronderstellingen. Dat is een programma dat moet worden uitgewerkt.
Dat moet zeker niet alleen op papier gebeuren, het moet vooral ook worden geleefd en beleefd in al die verschillende vormen waarin mensen zich kunnen uiten - van tekengebruik, beeldende kunsten, muziek, dans, bebouwing van onze omgeving tot en met de instrumentalisering van onderdelen daarvan aan de ene kant, de vorming van relaties en relatiepatronen aan de andere - met de consequenties die daaraan zijn verbonden voor mensen nu en in de toekomst als richtsnoer.

6. Geweld
Wanneer de mogelijkheid om onze voorstellingen en opvattingen binnen de grenzen van onze ervaring te toetsen op hun betekenis wordt weggeredeneerd in een constructie waarin onze ervaring met een beroep op een werkelijkheid buiten haar wordt gediskwalificeerd, dan worden - zei ik eerder - de sluizen geopend voor iedere voorstelling of gedachte die wij omtrent die transcendente werkelijkheid en onze verhouding tot haar om welke reden dan ook koesteren. Daarmee wordt voor een wezen dat vragen heeft over de zin van zijn / haar bestaan - voeg ik daar nu aan toe - tegelijkertijd een hoogst aantrekkelijk perspectief geopend. Dan wordt immers zowel een kwellende vraag beantwoord als de verantwoordelijkheid voor dat antwoord en voor de consequenties die daaraan verbonden zijn, van hem afgewenteld. Dat antwoord is, kortom, zingevend, taakstellend en ontlastend tegelijk. Er is dan al beschikt, je hoeft dat zelf niet meer te doen. Wat dan blijft, is alleen nog het gevecht met jezelf om de onderwerping aan het zo erkende gezag, zowel in de grote lijn van het leven als in de kleinere dingen van alledag. En ook die strijd kan als zingevend en als motiverend tot gezagsaanvaarding worden beleefd.
De bundelende, eenheid stichtende en zichzelf versterkende kracht van een dergelijke dogmatisehe geloofshouding mag niet worden onderschat. Daarbinnen kunnen problemen eigenlijk alleen ontstaan met betrekking tot het al dan niet zuiver in de leer zijn van bepaalde opvattingen, personen, stromingen en de in het verlengde daarvan optredende mogelijkheid van schisma's en afsplitsingen. Voeg daar nog aan toe, zoals het christendom doet, de troostende en straffende werking die uitgaat van een almachtige persoonlijke god, en er ontstaat een maatschappelijke gezagsstructuur die het zonder grote moeite tegen die van de parlementaire democratie kan opnemen. Des te opmerkelijker is dan ook het verschijnsel van de trendmatige ontkerkelijking, zoals zich dat in ons land (maar niet hier alleen) voltrekt.
Dit is een ontwikkeling die niet alleen de leden van de desbetreffende kerkgenootschappen, maar - vreemd als dat op het eerste gehoor moge lijken - ook humanisten te denken moet geven. Als zelfbeschikking een daad is van zingeving en vormgeving aan het leven, dan is de op gang zijnde ontkerkelijking zeker niet in haar geheel daaraan toe te schrijven, maar tenminste ook voor een niet onbelangrijk deel aan negatieve ervaringen, gedachten en gevoelens met betrekking tot een kerk en de door haar vertegenwoordigde levensstijl.
Voor velen zal het verlaten van de kerk daarom niet een stap zijn naar zelfstandigheid, maar naar een toestand van innerlijke onzekerheid. Dat kan voor verschillende mensen nog heel verschillende dingen betekenen. Humanisten zijn niet degenen die een gezaghebbende interpretatie zullen willen geven van de menselijke nood waarin men zo kan belanden. Maar het is wel onze zorg.
Het is dat, omdat het lot van ieder mens, ongeacht zijn of haar geloof of levensovertuiging, ongeacht hun zich wel of niet tot het humanisme aangetrokken voelen, ons een zorg moet zijn. Dat wordt niet tegengesproken door het feit dat humanisten principieël geen zending of missie bedrijven. Je kunt een ander nu eenmaal geen zelfbeschikking leveren, laat staan aanpraten. Je kunt wel vanuit een zo diep mogelijk geworteld begrip met anderen samenleven en hun je zorg als medemens ter beschikking stellen. De mate waarin dat inderdaad zorg voor een ander is, blijkt in onze ogen door de mate waarin hij zonder aandrang en zonder onderscheid aan ieder die hem zoekt, wordt aangeboden. Daarvoor voelen wij ons verantwoordelijk. Dat is een principiële kwestie. Ik hoop, dat dit die gelovigen die ons hebben verweten met onze geestelijke verzorging stenen voor brood te verkopen tot het inzicht zal helpen komen, dat zij een prooi waren van een ernstige vorm van blikvernauwing en dat dat ertoe zal bijdragen de samenwerking tussen hen en ons op dit gebied waar nodig te verbeteren. Er is, meen ik, bij alle verschil dat niet moet worden verdoezeld, reden voor samenwerking, voor gezamenlijke zorg zelfs. Want overal waar mensen in geestelijke nood zijn en waar die nood niet met anderen kan worden gedeeld, daar ontstaat een voedingsbodem voor destructieve gevoelens, gedachten en gedragingen. In het extreme geval wordt de destructie zelfs het alle schotten en afscheidingen vernietigende, enige mensen verenigende, gemeenschappelijke - in de vorm van oorlog.
Onze geciviliseerde urbane maatschappij is doortrokken van zowel structureel als fysiek geweld. Onze beschaving beschikt bovendien over vernietigingsmiddelen, zowel nucleaire als chemische, biologische en zogenaamde conventionele, die alles wat mensen op dit gebied eerder hebben ontwikkeld ver achter zich laten zonder dat het einde van die ontwikkeling in zicht is. Ook op andere terreinen staan wij voor beslissende keuzes. Ik meen dat wij - vermoedelijk moesten wij dat eigenlijk altijd al, maar zeker in deze historische situatie - ons zelfbeschikkingsvermogen, hoe onvolmaakt en beperkt het ook is, in dat teken moeten zien en toepassen, dat dat het brandpunt moet zijn van onze aandacht en dat wij van daaruit onze levens en ons samenleven moeten inrichten.
Dat zal, laat daar geen misverstand over ontstaan, hoezeer het ook kan worden gezien als een historische opdracht, niet een met de stroom van de geschiedenis meegaan, maar integendeel een tegen die stroom oproeien zijn. Juist in die situaties waarin hun zelfopvatting en mensbeeld, hun cultuur en levensstijl geen eenheid zijn en geen houvast bieden, juist In zulke situaties van anomie, zijn mensen geneigd zich dat houvast te verschaffen door anderen tot hun vijanden te bombarderen en hùn mensbeeld, hùn cultuur en hùn levensstijl als oorzaak van alle kwaad aan te merken. Die neiging steekt diep en hij werkt daar meestal in het verborgene. Zo zelfs, dat wij geneigd zijn die neiging vooral aan anderen, veel minder aan onszelf toe te schrijven.

7. Intellectualistisch humanisme
Humanisten kunnen dat niet passief aanzien. Juist humanisten zullen alles op alles moeten zetten om dat tij te keren. Dat vergt dus óók een out-going, een out-reaching activiteit zelfs, zonder dat dat in het minst of geringst met zending of missie te maken heeft. Integendeel, deze activiteit is gericht op het overbruggen van tegenstellingen, op het graven van kanalen zelfs, omdat het voortbestaan van de tegenstellingen destructief werkt, omdat er gronden zijn voor samenwerking. Wij zullen dit als humanisten in onze levensstijl moeten integreren. Dat betekent met verstand en van harte.
Onze taal is zozeer gevormd in en door het gebruik dat dominees en schoolmeesters van haar hebben gemaakt, dat je zodra je iets ernstig meent, moet oppassen niet te gaan praten als een dominee en een schoolmeester. Ik hoop die linguïstische valkuil te zijn ontlopen. Ik meen namelijk alles wat ik heb gezegd en ik meen het heel ernstig en ik wil daar met dezelfde ernst nog iets aan toevoegen - maar niet als een prediker en niet als een schoolmeester. Het gaat om het volgende.
Humanisten staan te boek - en niet helemaal ten onrechte, denk ik - als intellectualistisch ingestelde mensen. Is dat, vraag ik mij af, niet mede een gevolg van het feit dat zij zich in de loop van de geschiedenis nogal eens en nogal sterk van het christendom zo goed als van andere godsdiensten en hun levensstijl hebben afgezet? Ik hoop in het voorgaande duidelijk te hebben gemaakt, dat ik de redenen - zelfs de noodzaak - daarvoor heel goed zie. Tegelijkertijd vraag ik mij af, of we ons daarbij niet meer puriteins hebben betoond dan voor humanisten nodig en wenselijk is.
Dat gelovigen belangrijke momenten en gebeurtenissen in mensenlevens vieren in het licht van hun voorstellingen van een buiten onze ervaring staande werkelijkheid of werkelijkheden, betekent toch niet dat die momenten en gebeurtenissen niet het vieren voor en door mensen waard zouden zijn? Of dat humanisten zich ertoe zouden moeten beperken over hun betekenis na te denken en alleen in woorden vorm en uiting daaraan zouden mogen geven?
Ik besef, dat hier nog heel andere weerstanden een rol spelen dan alleen onze afkeer en verzet tegen een in onze ogen verkeerd gebruik van uiterlijke vormen - zoals onze wens die vormen zelf te bepalen en de afwijzing van alles wat wordt opgelegd en wat zweemt naar gekunsteldheid. Ik huiver zelf bij de gedachte aan een humanistische vlag of een humanistische internationale. Zó dus niet. Maar kan het niet anders? Is onze afkeer van uiterlijke vormen op bepaalde momenten en bij bepaalde gelegenheden zelf wel zo natuurlijk? Is misschien niet ook zij cultureel bepaald, ons puritanisme op dat punt niet ook wat geforceerd, tot op zekere hoogte van buiten opgelegd?
Wat er op dit punt ook zal kunnen, het zal alleen kunnen als het zich geleidelijk, historisch kan ontwikkelen. Ons aandeel nu daarin kan, denk ik, uit niet meer bestaan dan het op een kier zetten van de deur voor zo'n ontwikkeling. Maar misschien ontdekken we daardoor toch al, dat er meer in zit dan wij dachten en beleven we er al wat plezier aan ook.


8. Slot
Ik vat kort samen en rond af. Mensen zijn van nature cultuurwezens. Zij zijn dus zowel het een als het ander, als natuurwezens onaf, 'nicht festgestellt' èn in staat zich daarvan rekenschap te geven. In zoverre bekommeren zij zich ook bewust om hun bestaan en zijn zij in staat daar iets (of juist niets) van te maken. Zo zijn zij tegelijkertijd makers en maaksels, producenten en producten van hun geschiedenis, zingevers in een context die hen telkens wordt gegeven.
Mensen zoeken telkens naar wegen om uit deze paradox van hun bestaan te ontsnappen. Een eenvoudige manier om dat te doen is een ander aan te wijzen als oorzaak van alles wat mij onvrij maakt, mijzelf als bron en zetel van de ware vrijheid. Er is echter een veel krachtiger procédé waarmee de paradox ogenschijnlijk definitief de wereld uit kan worden geholpen. In dat procédé wordt de paradox verklaard tot een alleen binnen onze ervaring optredende schijn die zijn oorsprong en oorzaak heeft in een buiten onze ervaring gelegen werkelijkheid. Tegelijk wordt daarmee ook de poort geopend voor iedere voorstelling en gedachte over die werkelijkheid die wij om welke reden dan ook koesteren. Al onze overige voorstellingen en gedachten zullen daarna aan die zo gekoesterde voorstelling of gedachte kunnen worden getoetst. Deze worden onaantastbaar, zij krijgen het karakter van een dogma.
Als eenmaal de mogelijkheid van kritische toetsing van onze voorstellingen binnen de grenzen van onze ervaring op die manier is opgeheven, worden scepticisme en dogmatisme elkaars natuurlijke alternatieven. De geschiedenis van onze opvattingen van onszelf krijgt dan het karakter van een pendulebeweging, het debat over de waarheid van die voorstellingen dat van een geloofsstrijd. Onze mogelijkheden om zelf zin en vorm aan ons leven te geven worden dan tot een minimum gereduceerd.
In crisissituaties waarin scepticisme en in zijn verlengde decisionisme en nihilisme de kop opsteken, heeft de dogmatisch gelovige maar één antwoord-mogelijkheid. Hij moet op een of andere manier terug naar zijn bron, terug naar het oude gezag en naar de oude vormen. Zijn reveil moet principiëel de betekenis hebben van een herstel met hoogstens marginale aanpassingen aan nieuwe omstandigheden.
Humanisten hebben niet een zo krachtig en zo definitief werkend antwoord op de paradox van het menselijke bestaan. Ik kan mijn conclusie direct hierbij laten aansluiten, namelijk dat humanisten juist op grond van hun open mensbeeld in de huidige crisissituatie een historische taak hebben te vervullen. Het besef van die taak aan de ene kant, het besef van de beperkingen waaraan wij bij de vervulling van die taak als maaksels van de geschiedenis zijn onderworpen moet, meen ik, voor humanisten bepalend zijn voor de vormgeving van hun leven en dus van hun levensstijl in onze tijd.

Ik wil eindigen met de uitspraak van een formule van humanistische oorsprong die mijns inziens waard is te worden behouden: Ik heb gezegd.


Prof. mr. Jan Glastra van Loon was onder andere algemeen voorzitter van het Humanistisch Verbond, van 1987 tot 1993.