socrates

INDIVIDUALISERING
EN SOLIDARITEIT

Arie den Broeder
Socrateslezing 1988

< INHOUD >
< Inleiding > < De ontwikkeling van de verzorging >
< Het culturele draagvlak van de verzorgingsstaat >
< Individualisering >
< Solidariteit >

INLEIDING

Het Humanistisch Verbond heeft als geestelijk genootschap vanzelfsprekend grote belangstelling voor de wijze waarop mensen zich temidden van andere mensen proberen te ontplooien en voor de wijze waarop zij hun samenleving inrichten. Het Verbond doet dat niet vanuit eenzelfde taakopdracht als een politieke partij of een maatschappelijke belangenorganisatie, die een specifieke functie heeft ten aanzien van de concrete vormgeving van de maatschappij, maar vanuit zijn medeverantwoordelijkheid voor de geestelijke grondslagen van de maatschappij en het welzijn van de mensen die daar deel van uitmaken. Het meent - met andere geestelijke genootschappen - dat het tot taak heeft bij te dragen tot de ontwikkeling van een geestelijk-zedelijk referentiekader voor het maatschappelijk handelen.

Met deze opvatting bezint het Humanistisch Verbond zich op de actuele vraagstukken van onze tijd en tracht het door meningsvorming in eigen kring, alsmede door gesprek met anderen mede te werken aan het vinden van oplossingen. Het Verbond neemt daarbij ook kennis van opvattingen van anderen, geeft daar zo mogelijk steun aan of plaatst daar andere opvattingen tegenover. Het ligt voor de hand, dat het niet ongeÔnteresseerd waarneemt welke problemen de verzorgingsstaat in deze periode heeft en hoe verschillende politieke, maatschappelijke en geestelijke stromingen deze problemen definiŽren en willen oplossen. Met name aan de belangrijke geestelijk-zedelijke aspecten van de bedoelde problemen mag het Humanistisch Verbond niet achteloos voorbij gaan. Dit geldt temeer wanneer anderen te weinig aandacht besteden aan zaken die humanisten belangrijk vinden dan wel een negatief oordeel hebben over ontwikkelingen die humanisten als positief ervaren.
Ik doel hiermede in het bijzonder op de discussie over individualisering en solidariteit, die vanuit andere kringen een invulling en waardering krijgen, waarmede humanisten niet kunnen instemmen. Het verloop van deze discussie kan van grote invloed zijn op de toekomstige inrichting van de samenleving en de mogelijkheden voor mensen tot zelfverwerkelijking.

Het onderwerp van deze Socrateslezing betreft het culturele aspect van de samenleving. Een jaar geleden heeft Jan Glastra van Loon zijn Socrateslezing over humanisme en levensstijl gewijd aan de mens als cultuur-wezen. (*) Daarin heeft hij duidelijk gemaakt, dat mensen weliswaar afhankelijk zijn van erfelijke eigenschappen en milieufactoren, maar aan hun verhouding tot hun omgeving ook zelf vorm en inhoud geven. Als zij dat vanuit hun visie op mens en wereld op samenhangende wijze doen, is daarin een levensstijll herkenbaar. Ik zou zijn vooral wijsgerige beschouwing in cultuursociologische richting willen doortrekken. Dat wil zeggen, dat ik vooral zal kijken naar het onderlinge en gezamenlijke gedrag van mensen, met name in min of meer duurzame verbanden, en vooral naar de manier waarop dat door waarden, normen en verwachtingen is gestructureerd. Er is in het menselijk gedrag een zekere consistentie van denken en handelen, waardoor dat gedrag meestal enigszins voorspelbaar is. Dat geeft in belangrijke mate stabiliteit en orde aan de samenleving. Mensen ontwikkelen hun gedachten en handelingen niet volstrekt willekeurig, maar reguleren deze door zich te oriŽnteren aan waarden en normen en rekening te houden met verwachtingen in hun omgeving. Die regulering is niet voor alle tijden en plaatsen en zelfs niet voor allen even dwingend. Wij kennen immers ook verandering van denkbeelden, van gewoonten, van opstellingen, zoals wij ook in een samenleving uiteenlopende gedachten, afwijkend gedrag en tegenstand ontmoeten. Cultuur behoeft niet tot verstarring te leiden; naast stabiliteit kan er ruimte zijn voor verandering. Zoals wij weten, willen sommige mensen veranderingen, terwijl andere mensen het vertrouwde willen handhaven. Ook dit is aantoonbaar in de discussie over individualisering en solidariteit.

Inhoud

DE ONTWIKKELING VAN DE VERZORGINGSSTAAT

Anders dan de term doet vermoeden is de 'verzorgingsstaat' geen staatsvorm of regeringsvorm, maar heeft deze wel betrekking op de functie van de staat. De benaming heeft te maken met een omvangrijke en veelzijdige taak van de staat, de overheid, met betrekking tot het maatschappelijk leven. Wij spreken over een verzorgingsstaat, wanneer een staat zich in hoge mate verantwoordelijk acht voor de welvaart en het welzijn van de bevolking en aan die verantwoordelijkheid politiek gevolg heeft gegeven door in het maatschappelijk leven te interveniŽren. De bemoeiing van de overheid met de welvaart blijkt onder meer uit haar beleid ter bevordering van een gestadige en stabiele economische groei en van een sterke internationale handelspositie. Haar bemoeiing met het welzijn valt op te maken uit haar aandacht voor onder meer onderwijs, huisvesting, gezondheidszorg en sociale zekerheid.

Hoewel de geschiedenis van de verzorgingsstaat in ons land reeds in de vorige eeuw begint, toen de eerste wetten ter bescherming van de arbeiders tot stand kwamen, is hij pas echt tot ontwikkeling gekomen tijdens de crisis van de jaren '30 en vooral na de Tweede Wereldoorlog. Denkbeelden van Keynes, Beveridge en Galbraith, in ons land ook van Tinbergen en Van Rhijn, hebben grote invloed gehad op de conjunctuurbeheersing en de uitbreiding van de sociale voorzieningen. In de jaren 1945 tot 1975 is er op economisch en sociaal gebied mede door ordening en sturing van overheidszijde veel tot stand gekomen, dat de levensstandaard van de bevolking in al haar geledingen sterk heeft verbeterd. Andere landen met een vergelijkbare economische ontwikkeling als Nederland laten eenzelfde ontwikkeling zien.

Een van de meest besproken punten in de huidige discussies over de verzorgingsstaat betreft de omvang en gedetailleerdheid van zijn interventies. Komend uit de sfeer van staatsonthouding, heeft de overheid aanvankelijk slechts in aanvulling op de particuliere liefdadigheid materiŽle steun aan de armen gegeven en niet verder willen gaan. Bij de opkomst van de industrie werden de problemen van de werkende bevolking echter zo schrijnend, dat zij zich genoodzaakt voelde met beschermende maatregelen de ergste nood te lenigen. De eerste arbeidsbeschermende wetten kwamen tot stand, kort daarna ook de eerste sociale-verzekeringswetten. Toen na de Tweede Wereldoorlog bewust werd gekozen voor overheidsverantwoordelijkheid, zag de overheid haar rol wel beperkt tot het regelen van sociale voorzieningen op een minimumniveau. Van liever lede breidde de overheidsbemoeiing zich echter uit over het gehele gebied van het onderwijs, de gezondheidszorg, de sociale zekerbeid, de huisvesting, de culturele voorzieningen, de recreatie en dergelijke. De overheid heeft zich geleidelijk aan verantwoordelijk gesteld voor het welzijn van alle burgers en voor de verdeling van maatschappelijke voordelen en lasten. Zij heeft tenslotte niet willen volstaan met het oplossen van de problemen van mensen met duidelijk gebrek aan maatschappelijke mogelijkheden, maar naar een optimale toedeling van welzijnsgoederen aan alle burgers willen streven.

Deze voortdurende toeneming van de overheidszorg is niet alleen te wijten of te danken aan de expansiedrang van de overheid, maar evenzeer aan de invloed van de kant van allerlei maatschappelijke organisaties. Op het gebied van de gezondheidszorg, het maatschappelijk werk, de volkshuisvesting, het onderwijs, de omroep en de sport bestonden tal van organisaties en instellingen, reeds lang voordat de verzorgingsstaat tot volle wasdom kwam. Deze waren vooral op confessionele leest geschoeid, vaak ook op socialistische. Zij waren voortgekomen uit het particulier initiatief, maar deden een steeds groter beroep op middelen van de overheid.
De groei van hun taken bracht mede, dat zij de steeds zwaarder wordende financiŽle lasten niet langer zelf konden dragen. Door de verzuilde structuur wilden deze organisaties en instellingen niet minder taken verrichten en zeker niet minder overheidssubsidie ontvangen dan die van een andere signatuur, zodat de vraag om overheidsgeld steeds groter werd. Maar omdat de overheid in toenemende mate voorwaarden aan de subsidieverlening ging verbinden, werd de invloed op taak, werkwijze en inrichting van de maatschappelijke organisaties en instellingen steeds groter. In feite deed deze ontwikkeling afbreuk aan de in confessionele kring gekoesterde beginselen van subsidiariteit (katholieken) en soevereiniteit in eigen kring (protestanten), die de zelfstandigheid van de organisaties beklemtoonden en de overheid slechts op afstand een taak toekenden. Om financiŽle redenen moesten de organisaties de toenemende overheidsinvloed echter wel accepteren. Zij zijn er overigens meestal goed in geslaagd een voor hen gunstige relatie met de overheid op te bouwen en te onderhouden. Dit geschiedt meestal op ambtelijk niveau, wat het beleidsproces ondoorzichtig maakt. Reeds hier zien wij een fundamentele spanning, namelijk tussen overheid en particulier initiatief, die aan de huidige problematiek van de verzorgingsstaat ten grondslag ligt.


In confessionele kring is ook geprobeerd de invloed van de centrale overheid te beperken door de invoering van een corporatistische staatsinrichting. Het corporatisme houdt in, dat de publieke macht niet alleen in handen van de overheid is, maar in belangrijke mate wordt gedeeld door maatschappelijke organisaties, met name van werkgevers en werknemers, en godsdienstige organisaties. Zij wilden hiermede in de jaren dertig en wederom na de Tweede Wereldoorlog een dam opwerpen tegen zowel de centralisatie van de macht bij de overheid als het individualisme in de vooral liberale staatsopvatting, die in de vorige eeuw aan het Koninkrijk der Nederlanden ten grondslag is gelegd. Kort voor en kort na de Tweede Wereldoorlog is ook van socialistische zijde nagedacht over een sociaal-economische ordening met corporatistische elementen, zij het onder leiding van regering en parlement. De zogenaamde rooms-rode coalities in de jaren vijftig hebben op deze basis compromissen gesloten, die tot gedeeltelijke realisering van de publiekrechtelijke bedrijfsorganisaties hebben geleid. Dat het corporatisme niet zoveel wortel heeft geschoten, wordt in confessionele kring nog steeds met een zekere teleurstelling ervaren. In de huidige discussie over de vernieuwing of vervanging van de verzorgingsstaat speelt deze teleurstelling enigszins mede. Zo zou men bijvoorbeeld de zeggenschap over de sociale verzekering liefst geheel aan de organisaties van werkgevers en werknemers willen opdragen, met een minimum aan politieke controle.

Inhoud

HET CULTURELE DRAAGVLAK VAN DE VERZORGINGSSTAAT

Er is veel wetenschappelijk meningsverschil over de grondslagen van de verzorgingsstaat. Sommigen menen dat deze politieke orde tot stand is gekomen op basis van pragmatische keuzen en niet of nauwelijks overeenkomstig principiŽle voorkeuren. Anderen zoeken ijverig naar een dominerende waardenoriŽntatie van deze of gene politieke of geestelijke stroming. In een geestelijk, politiek en maatschappelijk veelzijdig samengestelde samenleving als de Nederlandse, zonder enige langdurig dominerende groepering, ligt de veronderstelling voor de hand dat elke stroming in meer of mindere mate aan de vorming van de verzorgingsstaat heeft bijgedragen, zoals ook de veronderstelling is gerechtvaardigd dat zij daarbij tot het sluiten van compromissen bereid en in staat waren. Weliswaar kan men dan niet spreken over een gemeenschappelijke ideologie achter de verzorgingsstaat, maar wel over voldoende verwante ideeŽn om die staat een zekere structuur te geven. In ons land hebben socialisten en sociaal-liberalen, beiden geÔnspireerd door humanisme en vrijzinnig christendom, de inhoud van de sociale politiek sterk bepaald, terwijl socialisten en christen-democraten samen de democratisch-corporatieve vorm van de verzorgingsstaat hebben bevorderd. Liberalen hebben ervoor gezorgd, dat de verzorgingsstaat tot stand kon komen zonder het marktmechanisme en het vrije ondernemerschap te zeer aan te tasten. In een geschiedenis van ongeveer een eeuw hebben de socialisten vooral de leidende rol van de staat, de liberalen de vrijheid en verantwoordelijkheid van het individu en de christen-democraten de grote betekenis van het gezin en de bedrijfsgemeenschap beklemtoond. Hiermede heb ik niet voldoende recht gedaan aan ieders bijdrage, maar in kort bestek enkele accenten gelegd. Laat ik hier nog aan toevoegen, dat in feite alle stromingen grote waarde hebben toegekend aan het ontwikkelen van sociaal welzijn voor alle burgers en aan rechtvaardige verdeling van schaarse sociale goederen. De christelijk-sociale beweging vond, met verwijzing naar de bijbel, dat men de armen niet onverzorgd mocht achterlaten. De socialisten wilden stelling nemen tegen de structurele onderdrukking van de arbeidersklasse door het kapitalisme. De liberalen zochten naar een combinatie van individuele vrijheid en sociale gerechtigheid. De verschillende stromingen hadden wel in abstracte zin enkele gemeenschappelijke waarden en doeleinden, maar zij verschilden van mening over de concrete uitwerking daarvan.

Gedurende lange tijd heeft de verzorgingsstaat een cultureel draagvlak gehad, omdat verschillende stromingen ten minste een deel van de eigen opvattingen in de resultaten van het economische en sociale beleid herkenden. Bovendien ging de ontwikkeling van de verzorgingsstaat gepaard met een gunstige conjuncturele en structurele ontwikkeling van de economie, waardoor eigenlijk iedereen een steeds betere positie kreeg. Ook de groeiende tevredenheid bij de burgers gaf breedte en sterkte aan het culturele draagvlak. Steeds meer behoeften konden steeds beter worden bevredigd, hoewel de wensen toenamen. De verschillende stromingen konden niet beter doen dan zich bij de wensen van de door hen gerepresenteerde groeperingen aansluiten en zo mogelijk de daaruit voortkomende wensen tijdig onder de aandacht van de overheid brengen.

Ook in humanistische kring heeft men lange tijd geen moeite gehad met de verzorgingsstaat, maar integendeel veel instemming betuigd met de verbetering van het welvaarts- en welzijnspeil van de bevolking. De steeds betere bestaanscondities verschaften een groeiend aantal burgers,
ook uit de onderste lagen van de samenleving, meer mogelijkheden tot deelneming aan het maatschappelijk leven in al zijn facetten. Dat de grote massa van de bevolking nu ook toekwam aan een beter onderwijspeil, betere huisvesting, meer arbeidskeuzemogelijkheden, vakantiemogelijkheden en wat dies meer zij, beantwoordt uiteraard ook aan humanistische opvattingen over een menswaardig bestaan. Waar de humanistische beweging wel moeite mee had, was de nog steeds onevenredig grote invloed van organisaties en instellingen op confessionele grondslag en daardoor hun onevenredig grote aandeel in het totaal aan overheidssubsidies. Daarom heeft onze beweging sterk geijverd voor een groeiend aandeel in de voorzieningen ten behoeve van humanisten c.q. buitenkerkelijken, zowel op het terrein van de geestelijke vorming en verzorging als op dat van het vormingsonderwijs, de omroep, het maatschappelijk werk en de opleiding van humanistische functionarissen voor geestelijk werk. Ook heeft de humanistisehe beweging reeds lang bedenkingen tegen vormen van wetgeving of beleid, die tekort doen aan de persoonlijke verantwoordelijkheid en keuzevrijheid van mensen. Voorbeelden hiervan zijn de voortdurende acties voor het zelfbeschikkingsrecht van mensen ten aanzien van abortus en euthanasie en voor gelijke behandeling van mensen die onderling verschillen naar kenmerken als geslacht, samenwonings- of relatievorm, seksuele geaardheid, etnische herkomst of leeftijd.

Het draagvlak verliest de laatste tijd aan breedte en kracht. In confessionele kring realiseert men zich, dat de organische maatschappij-opvatting met haar levensbeschouwelijk gestructureerde middenveld aan aanhang heeft ingeboet, dat er onmiskenbaar een ontzuiling is opgetreden, dat het corporatisme niet werkelijk is uitgegroeid, dat de oude zingevingskaders als kerk, school, vereniging en gezin voor de mensen niet meer zoveel betekenen, dat de onkerkelijkheid snel en tot grote omvang is voortgeschreden. In die kring zoekt men nu de terugweg naar de zelfzorg, de mantelzorg en de maatschappelijke verbanden: de verantwoordelijke maatschappij. In liberale kring is men er zich van bewust geworden, dat de overheid zich over een breed vlak indringend met veel zaken bemoeit, meer dan voor de ontplooiing van individuen altijd wel wenselijk is en ook meer dan goed is voor het vrije ondernemerschap en de economische vooruitgang. Men wil daarom de taak van de overheid beperken tot wezenlijke zaken en de individuele verantwoordelijkheid van de burgers vergroten, maar wel collectief zorgen voor de zwaksten: de
waarborgmaatschappij. De socialisten hebben niet zoveel principiŽle problemen met de verzorgingsstaat, maar menen wel dat veranderende omstandigheden van culturele, technologische en economische aard aanleiding geven tot herijking van beleid, dat tot nu toe buiten discussie stond. Verder zouden zij de taken en bevoegdheden van de centrale overheid voor een belangrijk deel willen overdragen aan de gemeentelijke en provinciale overheden, wat de spreiding van macht zou bevorderen en de afstand tussen overheid en burgers zou verkleinen. Voor een ander deel zouden zij de overheidstaak zonder meer willen beperken en de regeling van voorzieningen aan de burgers zelf willen overlaten.

Er is dus sprake van herbezinning op de grondslagen van de verzorgingsstaat, met name bij de grote politieke partijen. De vraag rijst tot welke wijzigingen deze herbezinning kan leiden. Sommigen willen de verzorgingsstaat opheffen, anderen willen hem vernieuwen. Uiteraard kan men tot een zekere herstructurering van taken komen, bijvoorbeeld tot een verschuiving van overheidstaken naar maatschappelijke organisaties en/of de burgers zelf. Maar niet goed valt in te zien, hoe men afstand zou kunnen nemen van diepgewortelde opvattingen over het garanderen van een menswaardig bestaan aan alle burgers en een rechtvaardige verdeling van bestaanscondities.

In dit verband is van groot gewicht, dat de eerder genoemde, algemeen gedeelde tevredenheid over de zegeningen van de verzorgingsstaat de laatste tijd bij velen is vervangen door onbehagen en wrevel. De verzorgingsstaat in snelle opkomst heeft de verwachting gewekt, dat er een gestadige welvaarts- en welzijnsverbetering zou zijn en dat in elk geval de perioden van bestaansonzekerheid en armoede voorbij waren. Op een hoog peil van algemene economische ontwikkeling ontstond in de jaren zeventig niettemin een recessie, die zich allengs tot een conjuncturele crisis en structurele verstoring verdiepte. De werkloosheid nam een zeer grote omvang aan, het aantal langdurig-werklozen nam naar verhouding nog sneller toe. Een groeiend aantal mensen werd afhankelijk van een uitkering en verloor heel vaak uitzicht op een baan. Door de stagnerende economische groei en de stijgende collectieve lasten voelde de overheid zich genoodzaakt te bezuinigen op uitkeringen en medische en maatschappelijke voorzieningen. Ook de laagste uitkeringen gingen omlaag, waardoor veel huishoudens in zodanige financiŽle problemen kwamen, dat ze gingen besparen op wezenlijke uitgaven of schulden maakten.
Verscheidene studies maken melding van het verschijnsel van 'nieuwe annoede'. Hiermede is een toeneming van maatschappelijke tegenstellingen gepaard gegaan, ook doordat de overheid wil streven naar grotere inkomensverschillen tussen werkenden en uitkeringsgerechtigden. Dat de verzorgingsstaat juist in een periode waarin velen een beroep op hem doen, niet in staat is het bereikte bestaanspeil en de bereikte mate van sociale gelijkheid te garanderen, heeft bij grote groepen van de bevolking tot desoriŽntatie, ontgoocheling en wantrouwen geleid. Overheid en maatschappelijke organisaties hebben de verwachtingen en aspiraties van de burgers steeds hoger opgevoerd, maar zien geen kans deze nu te honoreren.

Herbezinning op de verzorgingsstaat kan evenmin voorbij gaan aan de tendenties van individualisering en emancipatie. Bestaande voorzieningen zijn veelal gebaseerd op het gezin als leefeenheid, hoewel zestig procent van ons volk niet in het traditionele gezinsverband leeft. Ook de verzelfstandiging van man en vrouw vraagt om een andere opzet van de voorzieningen, namelijk meer gericht op de behoeften en mogelijkheden van de individuele mens en minder op zijn of haar eventuele relatievorm. Hier ligt een belangrijk geschilpunt, omdat men in confessionele kring wil vasthouden aan het gezin als hoeksteen van de samenleving.

Inhoud

INDIVIDUALISERING

In discussies over individualisering blijken misverstanden te bestaan over de inhoud van dit begrip, over de strekking van dit proces en over de opvattingen van degenen die individualisering positief waarderen. Deze misverstanden moeten worden onderscheiden van de werkelijke tegenstellingen tussen de voor- en tegenstanders van individualisering.
Wat is, cultuursociologisch beschouwd, individualisering? Ze is te zien als een sociaal-cultureel proces van verandering in de sociale betrekkingen en interacties tussen mensen, waarbij sommige mensen hun afhankelijkheid van andere mensen of van een groep verminderen en hun zelfstandigheid vergroten. In deze positief gestelde definitie van individualisering komt het loskomen van onderworpenheid aan de wil van anderen, de macht van de groepsbeslissingen en eventueel van collectief geldende normen op de voorgrond. Hier staat individualisering tegenover collectivisering, wat betrekking heeft op een proces waarbij mensen hun zelfstandigheid verliezen en sterk gebonden worden aan groepsnormen of autoritaire beslissingen. Reeds geruime tijd is er een proces waarneembaar, waarin mensen zich trachten te distantiŽren van sociale kaders met te strenge normen voor hun gedrag en hun denkbeelden of proberen de verhoudingen binnen die kaders te veranderen. Voorbeelden zijn te vinden in kerken, dorpen en buurten, bedrijven, verenigingen en families. Velen verzetten zich tegen autoritaire voorschriften en uniformering van gedachten en gedragingen, die schade berokkenen aan hun identiteit.
Er zijn ook negatieve definities van individualisering. Die omschrijven een toeneming van de sociale en normatieve isolatie van mensen doordat gemeenschappelijke waarden, normen en doeleinden ontbreken, bijvoorbeeld wanneer men is losgeraakt uit traditionele verbanden, zoals kerk, gezin, familie en buurt.
Naar mijn mening heeft de positieve definitie te maken met een culturele en maatschappelijke werkelijkheid, die de naam individualisering verdient. De negatieve definitie heeft niet op individualisering betrekking, maar op isolement, desintegratie, vereenzaming en vervreemding. Voorts speelt mede, dat wat de een als individualisering waardeert, door de ander als vereenzaming of vervreemding wordt beleefd. Het verlaten van de kerk bijvoorbeeld kan wel met het verliezen van contacten en vereenzaming gepaard gaan, maar kan ook samenhangen met een keuze voor een ander sociaal verband of het durven loskomen van een als te dwingend ervaren kerkelijk gezag.

Ik zou het begrip individualisering willen reserveren voor de bewuste keuze van mensen voor een grotere mate van zelfstandigheid, voor het verminderen van de afhankelijkheid van een of meer anderen. Ook dan blijven misverstanden en interpretatieverschillen een rol spelen, met name wanneer individualisering wordt vereenzelvigd met het prefereren van een individualistische levenshouding, die het tegendeel zou zijn van sociaaI gedrag. Het komt nog al eens voor dat individualisering wordt gelijkgesteld met egoÔstisch of egocentrisch gedrag, met afnemende aandacht voor anderen en dienstbaarheid aan anderen, met een verminderd verantwoordelijkheidsbesef jegens de samenleving en met gebrek aan solidariteit. Individualisering wordt gedefinieerd als de ontwikkeling van een ik-cultuur, waarin mensen neigen tot een hedonistische levensstijl, consumentisme en berekenend gedrag. Van het menselijk samenleven blijft op deze wijze niet veel over, want de ik-cultuur leidt onvermijdelijk tot atomisering van de samenleving, tot erosie van alle sociale verbanden.
In feite heeft deze benadering van het individualiseringsproces weinig realiteitsgehalte. Men kan hier slechts toe komen als men de mens per definitie ziet als een op zichzelf gericht en van zichzelf uitgaand wezen zonder enige sociale betrokkenheid, een wezen dat noodzakelijkerwijze door staat of kerk in het gareel moet worden gehouden. Hoewel dergelijke mensbeelden bestaan, wil ik stellen dat de maatschappelijke werkelijkheid naast egoÔstisch en egocentrisch gedrag ook veel coŲperatief en altruÔstisch gedrag laat zien. Niet alleen uit maatschappelijke noodzaak, maar ook uit innerlijke behoefte zijn mensen in tal van situaties en op tal van momenten sterk op elkaar betrokken, tot samenwerking geneigd en bereid naar een redelijke verdeling van offers en voordelen te streven. Waar de meeste mensen minder voor voelen is, dat zij zichzelf moeten wegcijferen terwille van het grotere geheel, zoals men dat in extremis in dictatoriale landen aantreft en minder extreem in militaire dienst of autoritair geleide bedrijven.

Individualisering moet dus niet worden vereenzelvigd met een tendentie naar egoÔsme of sociale afzijdigheid, maar met een streven naar een grotere mate van autonomie. Mensen willen meer te zeggen hebben over hun eigen leven en zij willen op basis van gelijkwaardigheid met anderen verkeren. Zij willen zich wel onderwerpen aan gezag, indien zij dat gezag zelf hebben aanvaard. Zij willen een ruimere marge voor eigen beslissingen, gebaseerd op eigen inzichten en voorkeuren. In feite is individualisering een voorspelbaar vervolg op democratisering. De democratie heeft immers de gelijkheid en gelijkwaardigheid van mensen beklemtoond. Welnu, gelijke en gelijkwaardige mensen willen hun eigen gezag kiezen, zelf bepalen met welke bevoegdheden dat gezag is toegerust en controleren welk gebruik het gezag van de toegekende bevoegdheden maakt. En zij willen in politiek verband even goed als anderen hun wensen en suggesties naar voren brengen en hun belangen behartigd zien. Democratisering versterkt het streven van mensen naar autonomie, een autonomie die zij over het algemeen slechts tot gelding kunnen brengen in het kader van het democratisch bestel volgens de daar geldende spelregels. Deze ontwikkeling zien wij niet alleen in het politieke bestel, maar in alle maatschappelijke verbanden waar mensen deel van uitmaken, zoals onderwijsinstellingen, bedrijven, verenigingen en geestelijke genootschappen.

Individualisering kan nu ook in verband worden gebracht met emancipatie. Dit begrip heeft altijd te maken met een maatschappelijke groepering, die in elk geval volgens eigen beleving, maar vaak ook objectief gezien, ten opzichte van andere groeperingen in een achterstandssituatie verkeert, een ondergeschikte positie inneemt, onrechtvaardig wordt behandeld. Belangrijke voorbeelden in onze tijd en omgeving zijn vrouwen, ouderen, jongeren, homoseksuelen en etnische minderheden.
Emancipatie ontstaat wanneer een groepering, na zich de achterstandsituatie bewust te zijn geworden en te hebben besloten die niet langer te accepteren, een strategie ontwikkelt en actie onderneemt om in haar situatie verbetering te brengen. Het emancipatieproces is voltooid, zodra de groepering in kwestie de beoogde situatie van erkenning en gelijkberechtiging heeft bereikt.
Terwijl indidvidualisering betrekking heeft op een individu, en als maatschappelijk-cultureel relevant verschijnsel op een groot aantal individuen, heeft emancipatie te maken met de opwaartse mobiliteit van een groepering, die impliciet aan de maatschappelijke positie van die groepering ook een grotere zelfstandigheid verleent. In menig geval zal ook ieder lid van die groepering een grotere mate van zelfstandigheid bereiken.
Bij de vrouwenemancipatie komen die twee tendenties van emancipatie en individualisering duidelijk bij elkaar; ze zijn als het ware met elkaar verweven. Wij zien dat de vrouwen als groepering zich verzetten tegen de situatie van achterstelling over een breed maatschappelijk veld en strijden voor gelijkberechtiging met de mannelijke helft van de bevolking. Wij zien ook dat de vrouwen ieder voor zich op zoek zijn naar een eigen identiteit, die zij in het traditionele huwelijkse gezin niet konden realiseren door de voorgeschreven, beperkende rol van echtgenote en moeder met louter taken in de huishouding.

Vanuit een humanistische optiek kan men het ook zo stellen: zowel individualisering als emancipatie betekent ontwikkeling van individualiteit. Mensen zijn niet voorbestemd exemplaren van dezelfde soort te zijn, maar hebben de mogelijkheid zich te verwerkelijken, de weg af te leggen naar zichzelf, waardoor zij niet met anderen te vereenzelvigen zijn. Naarmate zij er in slagen zich te ontplooien naar eigen mogelijkheden en ontwerp bereiken zij identiteit en uniciteit. Zij zijn herkenbaar door eigenschappen, waarmede zij zich van anderen onderscheiden en niet inwisselbaar zijn. Door hun zienswijze en handelingen zijn zij zichzelf. Zij maken zelf de keuze tussen zich identificeren met hun omgeving en zich ertegen verzetten. Zij zijn zichzelf, zij existeren.
Het behoeft geen betoog, dat de realiteit niet gelijk is aan het ideaal, omdat lang niet iedereen kans ziet de optimale situatie te bereiken. Voor een deel ligt dat aan de beperktheid van eigen inzichten, vermogens en durf, voor een ander deel aan belemmeringen in de omgeving. Niettemin is het streven naar individualiteit van existentieel belang voor de eigen menswording en voor een volwaardige participatie in de samenleving, die immers haar kwaliteit ontleent aan de echtheid van zelfstandige mensen.

Het geschetste mensbeeld roept ongetwijfeld associaties op met het veel gebruikte humanistische postulaat van het zelfbeschikkingsrecht, het recht van ieder mens vorm en inhoud te geven aan het eigen leven. Inderdaad is een wezenlijke plaats voor het zelfbeschikkingsrecht in ons maatschappelijk bestel niet goed denkbaar zonder daarbij uit te gaan van mensen, die tot zelfstandig denken en handelen geneigd en in staat zijn. Het humanisme ziet de mens als een redelijk en zedelijk verantwoord handelend wezen. Dit is niet alleen een kwestie van aanleg, maar ook van motivatie, die kan worden ondersteund door op versterking van zelfstandigheid gerichte opvoeding, onderwijs, vorming en begeleiding. Deze ondersteuning is vanzelfsprekend goed herkenbaar in de humanistische opvoeding, het humanistisch vormingsonderwijs, de humanistische geestelijke verzorging en vorming, de humanistische opleiding van geestelijk werkers en dergelijke. Het humanisme kiest voor de autonome mens, niet voor de anonieme mens.

Dit accent op de autonomie van de mens houdt niet de opvatting in, dat de mens zichzelf genoeg is, geen anderen nodig heeft en elk sociaal contact tracht te vermijden. Wat zou het trouwens voor zin hebben zichzelf te zijn, wanneer men buiten enig verband met anderen zou leven? Zichzelf zijn heeft zin als men van daaruit op een eigen manier met anderen contacten kan leggen, tot samenwerking kan komen en tot uitwisseling van gedachten kan geraken. In een strikt individualistische visie op mens en maatschappij zou men kunnen veronderstellen, dat mensen alleen op grond van nuttigheidsoverwegingen tot ruil en samenwerking overgaan. Zelf ben ik van mening, dat dit utilisme evenals het individualisme een te smalle basis is voor de individuele ontplooiing in sociaal verband en dat de mens ook een innerlijke behoefte heeft aan relaties van verschillende aard en aan een plaats in een of meer sociale verbanden. Mensen willen deelhebben aan het sociale leven, deelgenoot zijn, bij andere mensen behoren. De eigen ontplooiing is voor een belangrijk deel op anderen gericht, zowel om voor anderen nuttig te kunnen zijn als om van anderen erkenning en waardering te ontvangen.
Het humanisme beschouwt de mens als een sociaal wezen, dat aan andere mensen behoefte heeft en voor andere mensen iets wil betekenen. Zoals het streven naar zelfstandigheid een erkenning van de eigen waardigheid en gelijkwaardigheid inhoudt, zo houdt de sociale gerichtheid van de mens een erkenning van de waardigheid en gelijkwaardigheid van andere mensen in. Door die twee-eenheid kan de mens zowel het eigen belang articuleren en zijn deel opeisen als rekening houden met het belang van anderen en zijn eigen eisen matigen terwille van een eerlijke verdeling.

Inhoud

SOLIDARITEIT

Uit mijn schets van het individualiseringsproces komt naar voren dat het ontwikkelen van een eigen individualiteit, het streven naar autonomie en het opeisen van het zelfbeschikkingsrecht niet tot een asociale levenshouding behoeven te leiden. Wanneer het verlangen naar zelfstandigheid gepaard gaat met erkenning van de gelijkwaardigheid en dus ook het zelfbeschikkingsrecht van anderen, ligt hier een basis voor samenleven en samenwerken met anderen. In de humanistische gedachtenwereld zijn persoonlijke vrijheid of zelfbeschikkingsrecht ten nauwste verbonden met eerbiediging van de medemens en het betrachten van gerechtigheid. Al eerder zijn de afhankelijkheid van mensen van elkaar en hun behoefte aan sociale betrekkingen ter sprake gekomen. Het is duidelijk, dat hulpverlening, vriendschap en liefde niet zouden voorkomen, als mensen egoÔstische en zelfgenoegzame wezens zouden zijn.

Deze benadering van de relaties tussen mensen houdt ook een opvatting in over solidariteit. Solidariteit reikt verder dan elkaar erkennen en respecteren, al kan men dit als een voorwaarde voor solidariteit beschouwen. Solidariteit houdt in, dat de ene mens zich verantwoordelijk en aansprakelijk voelt voor het welzijn van de andere mens. Dit betekent allereerst dat ook de medemens in de gelegenheid is zijn of haar eigen mogelijkheden en inzichten te ontwikkelen, vorm en inhoud te geven aan zijn of haar eigen leven. Dit vereist dat in beginsel in de samenleving, in de kleine en grotere sociale verbanden, de condities aanwezig zijn waaronder ieder aan eigen ontplooiing kan werken. Als desondanks mensen te grote belemmeringen ondervinden bij het streven naar zelfontplooiing, hetzij door eigen hoedanigheden, hetzij door omgevingsfactoren, zullen de aandacht en hulp van anderen noodzakelijk kunnen zijn. Of en in welke mate dat het geval is, hangt in eerste aanleg af van de behoefte aan hulp van degenen die belemmeringen ondervindt. Het is niet juist meer hulp te bieden dan iemand nodig heeft, wil men niet vervallen in opdringerigheid en betutteling.

Solidariteit heeft vaak een spontaan karakter. In allerlei situaties komen mensen hun buren, vrienden en familieleden te hulp, als die in moeilijkheden zijn geraakt. In vroeger tijden was onderlinge hulp de voornaamste vorm van hulp, bijvoorbeeld in de familiekring en de woonbuurt. Overigens was deze onderlinge hulp wel zo sterk verankerd in het normen- en verwachtingspatroon, dat men zich moet afvragen of hier sprake was van spontaniteit dan wel van sociale verplichtingen. Hoewel veel onderlinge hulp is blijven bestaan, is het verplichtende karakter ervan afgenomen, zodat het spontane karakter weer aan betekenis heeft gewonnen. In het verlengde van dit onderlinge hulpbetoon kan men het vrijwilligerswerk zien, omdat ook hier zich talloze mensen belangeloos inzetten voor het welzijn van vele andere mensen. Hoewel het werk zelf is georganiseerd, geven de vrijwilligers hun medewerking spontaan.

In een gecompliceerde, hoog-ontwikkelde samenleving als de onze is solidariteit uitsluitend op basis van spontaniteit van buren, vrienden, familieleden en vrijwilligers niet mogelijk. De goed bedoelingen en bereidwillige medewerking van individuen en kleine groepen kan niet voorzien in het voorkomen of opheffen van belemmeringen voor de ontplooiing van vele medemensen. Hier zullen grote organisaties en de
overheid moeten zorgen voor zodanige afspraken, regels en activiteiten, dat aan ieder een menswaardig bestaan kan worden geboden.
De georganiseerde solidariteit komt tot uitdrukking in de wijze waarop voor ieder de toegang tot het onderwijs is geregeld, een goede huisvesting is verzorgd, werkgelegenheid wordt aangeboden en inkomen gegarandeerd. De besproken verzorgingsstaat heeft er in belangrijke voor gezorgd, dat ook mensen in achterstandssituaties in verschillende opzichten bestaans- en ontwikkelingsmogelijkheden hebben gekregen. Op deze georganiseerde wijze hebben de overheid en maatschappelijke organisaties, met instemming van de burgers, bevorderd dat beter gesitueerden een deel van hun voorrechten hebben afgestaan om de kans op ontplooiing voor minder gesitueerden te vergroten.

Een van de onderwerpen in de gedachtenwisselingen over de toekomst van de verzorgingsstaat betreft de plaats van de georganiseerde naast de spontane solidariteit. In liberale en christen-democratische kring heeft men de indruk, dat de grenzen van de georganiseerde solidariteit zijn bereikt. Degenen die deze solidariteit moeten leveren, onder meer door belasting- en premiebetaling, zouden vinden dat van hen teveel wordt gevergd. Degenen die van deze solidariteit de voordelen ondervinden, zouden worden afgehouden van hun zelfverantwoordelijkheid en worden verleid tot een consumptieve levensstijl. Om die redenen bepleit men in deze kringen een beperking van sociale voorzieningen tot een minimum-niveau en de bevordering van de eigen verantwoordelijkheid door meer prikkels en sancties. De christen-democraten wensen bovendien een herstel van de zclfzorg en de onderlinge hulp in de familie, de vriendenkring, de buurt en de kerk. In feite heeft de regering sinds 1980 de geleidelijke beperking van de georganiseerde solidariteit reeds op gang gebracht door de wettelijk geregelde minimumlonen en -uitkeringen te laten achterblijven bij de algemene inkomensontwikkeling, de uitkerings-percentages te verlagen, subsidies te verminderen, eigen bijdragen voor de gezondheidszorg te verlangen, de maatschappelijke en medische dienstverlening te beperken en de belastingen te verlagen. Door de socialisten wordt tegen deze beleidswijzigingcn bezwaar gemaakt, omdat de bestaanszekerheid van de zwakkere groeperingen in de samenleving afneemt, terwijl de beter gesitueerden hun economische positie zien verbeteren. Ook de werkgeversorganisaties en de vakbeweging staan bij deze ontwikkeling tegenover elkaar.

Dat de grenzen van de solidariteit zijn bereikt, zou men niet opmaken uit het feit dat de nadelen van de economische crisis onevenredig ten laste van de mensen in de kwetsbare posities komen. Zij zijn het immers die het eerst werkloos werden, het langst werkloos bleven en het geringste uitzicht op een baan hebben. Zij zijn het die in deze moeilijke jaren het meest op hun inkomen hebben moeten inleveren. De nadelen van de slechte economische ontwikkeling zijn niet op rechtvaardige wijze verdeeld, zoals nu de voordelen van het economisch herstel niet rechtvaardig aan alle groeperingen worden toegekend. Werklozen, arbeidsongeschikten, bejaarden en veel jongeren komen door deze ontwikkeling steeds meer in een afhankelijkheidspositie terecht.

De vraag rijst of de christen-democratische ideeŽn over vervanging van de overheidszorg door onderlinge hulp en zorg door organisaties in het maatschappelijke middenveld een geschikt concept kunnen zijn voor de komende tijd. Deze ideeŽn ontkennen de individualisering, die te maken heeft met het feit dat mensen zich hebben willen losmaken van de stringente verplichtingen en normeringen van de traditionele familie en buurt, alsmede van de ideologisch gekleurde maatschappelijke organisaties. Men kan deze tendentie niet terugdraaien door louter op overheidszorg te bezuinigen, maar slechts wanneer het verlangen naar herstel van die oude kaders bij de mensen zou leven. Dit lijkt op dit moment niet het geval te zijn. Het zou beter zijn aan te sluiten bij activiteiten, die de mensen zelf hebben ontwikkeld of zouden willen ontwikkelen. Er is wel degelijk een verlangen naar zelforganisatie op kleinere schaal, die in lokale situaties tot ontwikkeling zou kunnen komen. Wanneer deze met overheidssteun een kans zouden kunnen krijgen, zou er veel kunnen gebeuren in de omgeving van de mensen zelf, bijvoorbeeld in de zorg voor de woonsituatie, de zorg voor bejaarden en zieken, opvang van kinderen van werkende ouders, sport en recreatie. Het paradoxale in het beleid is nu, dat de overheid zo sterk de financiŽle middelen voor het lokale welzijnsbeleid heeft beperkt, dat initiatieven van gemeenten en burgers weinig kans krijgen.

Als het waar is dat de georganiseerde solidariteit zover is uitgebreid, dat mensen niet langer worden aangemoedigd hun problemen zelf op te lossen, zal het sociale beleid meer uitdagingen voor zelfredzaamheid moeten bevatten en daar ook enkele structurele voorwaarden voor moeten vervullen. In de sfeer van de gezondheidszorg wordt gezocht naar mogelijkheden die mensen zich meer bewust kunnen maken van hun verantwoordelijkheid voor hun eigen gezondheid. Afgezien van de vraag of hiervoor reeds de juiste middelen zijn gekozen, spreekt de gedachte wel aan. In dezelfde richting zou men kunnen denken ten aanzien van zaken als werkgelegenheid, sociale zekerheid, maatschappelijke dienstverlening en maatsehappelijk opbouwwerk. De huidige voorzieningen ademen vaak een geest van anonimiteit, onder meer door het massale karakter, de unifonniteit, de complexe regelgeving en de bureaucratische uitvoering. Hier moet worden gezocht naar vormen van regelgeving en uitvoering, die de voorzieningenstelsels inzichtelijker en toegankelijker maken en de belanghebbenden er meer bij betrekken.

Er zijn wellicht vormen van solidariteit ontstaan, die tekort doen aan de individualiteit van de mensen, door te weinig rekening te houden met hun specifieke problemen, mogelijkheden en wensen en door te weinig te appelleren aan hun eigen verantwoordelijkheid. Individualisering vereist in dat geval, dat de band tussen cliŽnt en voorziening wordt hersteld. Dat bevordert men niet door bezuinigingen op uitgaven en het afstoten van taken door de overheid, maar door het welbewust kiezen van organisatievormen die dichter bij de mensen staan. Zo kan men in menig geval de verzorging of verpleging van mensen in tehuizen vervangen door thuiszorg, ambulante zorg op maat voor zelfstandig wonende bejaarden, tussenvoorzieningen voor gehandicapten, wijkverpleging en gezinszorg. De hospitalisering van mensen kan in veel gevallen plaatsmaken voor een eerste-lijnszorg, die mensen de gelegenheid biedt zich in hun eigen milieu staande te houden en nog zoveel mogelijk voor zichzelf te zorgen. Mensen zijn dan niet langer objecten van zorg, maar gebruikers van die zorg die zij nodig hebben.

Ook het stelsel van sociale zekerheid zou veel eenvoudiger kunnen worden opgezet dan de afgelopen jaren is gebeurd en daardoor zijn anonimiteit en afstandelijkheid kunnen verliezen. Verscheidene regelingen zouden kunnen worden vervangen door ťťn regeling, die alle volwassen burgers een uitkering op minimumniveau garandeert, wanneer zij over onvoldoende inkomen beschikken, ongeacht wat daarvan de oorzaak is: werkloosheid, ziekte, ongeval, invaliditeit, ouderdom of scheiding. Daarnaast zou er ťťn regeling voor geneeskundige hulp en verzorging kunnen komen. Desgewenst zou men zich individueel of categoriaal kunnen verzekeren voor een uitkering boven het minimumniveau. Vanzelfsprekend dient zo'n stelsel voor elke volwassene een persoonlijk recht op uitkering te garanderen, zonder rekening te houden met het inkomen van eventuele huisgenoten. Deze consequente keuze zou recht doen aan het streven naar zelfstandigheid en de emancipatie van vrouwen ten goede komen. De uitvoering van de sociale-zekerheidsregelingen dient op lokaal niveau te geschieden, zodat persoonlijke relaties tussen uitvoerders en cliŽnten mogelijk zijn en passende vormen van cliŽntenparticipatie kunnen ontstaan.

Solidariteit veronderstelt niet alleen het recht op voordelen van gezamenlijke inspanning, maar ook de plicht tot het leveren van een bijdrage aan die gezamenlijke inspanning. Dit veronderstelt de bereidheid van een ieder tot het verrichten van arbeid in enigerlei vorm en uiteraard een zodanige inrichting van de samenleving, dat ieder ook de gelegenheid heeft zijn of haar bijdrage te leveren. Bovendien moet ieder de kans krijgen zelf door middel van arbeid in het levensonderhoud te voorzien, zodat men niet onnodig afhankelijk wordt van een uitkering. Verdeling van de beschikbare werkgelegenheid en herijking van rechten en plichten zijn elementen in zo'n opzet.

Individualisering is niet een aantasting van de solidariteit, maar een decollectivering van de georganiseerde solidariteit, die door bureaucratisering, administratieve normering en uniformering van dienstverlening anonimiteit heeft verkregen en daardoor de verbinding met individuele behoeften en mogelijkheden enigszins is kwijtgeraakt. Individualisering veroorzaakt dat nummers en kaarten weer personen worden, gevallen weer cliŽnten.

Inhoud

SLOT

Mijn beschouwingen over de problemen van culturele aard rond de verzorgingsstaat waren weliswaar uitvoerig, maar allerminst volledig. Ik ben er mij van bewust, dat ik slechts een beperkte en eenzijdige analyse heb gegeven, met name door mijn gedachten af te stemmen op het discussiepunt inzake individualisering en solidariteit, dat ook cultuursociologisch gezien slechts een van de vraagstukken betreffende de verzorgingsstaat is. Evenmin wil ik er mij op voorstaan, dat ik een blauwdruk heb gegeven voor de toekomstige verzorgingsstaat. Ik heb nadrukkelijk niet meer willen doen dan nu een illustratie geven van veranderingen op een aantal punten, die aan de hedendaagse problemen tegemoet zouden kunnen komen.
Wel hoop ik er in geslaagd te zijn in humanistische kring belangstelling te wekken voor de moeilijkheden, waarin de verzorgingsstaat heden ten dage verkeert en te stimuleren tot deelneming aan de discussies over de principiŽle oplossingsrichtingen. Ik heb getracht U ervan te overtuigen, dat in die discussie zulke gewichtige zaken betreffende de maatschappelijke positie van mensen en de relaties tussen mensen in het geding zijn, dat het verloop van die discussie niet alleen aan anderen mag worden overgelaten. In het bijzonder denk ik hierbij aan onze humanistische visie op de autonomie van ieder mens en de wijze waarop mensen als gelijkwaardig met elkaar zouden kunnen samenleven.

NOOT

* 'Mensen, van nature kultuurwezens'.
Verslag van de Socrateslezing 1987 over 'Humanisme en levensstiji' door
Jan Glastra van Loon, gehouden op
8 december 1987 (Humanistisch Verbond 1988).

Dr. Arie den Broeder was plaatsvervangend directeur-generaal bij het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en adviseur voor sociaal beleid. Tevens was hij vice-voorzitter van het Humanistisch Verbond en voorzitter van de Humanistische Omroep.

 

***