socrates

DE MYTHE VAN HET
ONBEGRENSDE ZELF

Trudy van Asperen
Socrateslezing 1991

< INHOUD >
< Persoon> < Idealen>< Filosofen over idealen >
< Moderne identiteit: het heroÔsch misverstand >
< Moderne identiteit: het onbegrensde zelf >
< Individu, gemeenschap en het goede leven >

Van alle vragen die ons bewegen, is de vraag naar wie wij mensen zijn, de meest blijvende en de meest intrigerende. Zowel de aarzeling van het 'wie ben ik eigenlijk' als de verwondering over 'wie zijn wij eigenlijk' zijn in die vraag begrepen. Van het een komt trouwens het ander. Of we nu beginnen met 'ik' of 'wij', de vragen verwijzen naar elkaar. Het maakt weinig verschil of we worden aangezet tot vragen door gebeurtenissen om ons heen, of dat wij worden geprikkeld tot nadenken door gebeurtenissen binnen onszelf. Wanneer het vlies van de vanzelfsprekendheid eenmaal verbroken is, is er geen weg terug. Dan moet het proces van beschouwing, van reflectie beginnen. Dat proces van reflectie is geen eenzaam avontuur, dat ieder van ons vertrouwend op eigen kracht alleen zou moeten voltooien. Integendeel, omdat de vraag naar de mens de vraag van alle mensen is, staat ons een overvloed van materiaal ten dienste.
In deze voordracht wil ik een aantal vragen die samenhangen met de moderne identiteit bespreken. Het adjectief 'modern' suggereert al dat de identiteitsvraag in onze tjd een eigen karakter zou kunnen hebben, namelijk anders dan in andere tjden. Over dat typerende van de modernee identiteit zal het ook gaan, maar ik wil beginnen met een eenvoudige analyse van een aantal thema's die mijns inziens bij de vraag naar het ik aan de orde zijn.

inhoud

PERSOON

Wat bedoelen we wanneer wij zeggen dat wij personen zijn, wezens die juist vanwege dit persoon-zijn aanspraak kunnen maken op een bepaalde bejegening? In het alledaagse spraakgebruik verbinden we met het idee van een persoon de veronderstelling van het vermogen tot ordening. Een pasgeborene, die het ene moment huilt en het andere moment rustig en tevreden is, is geen persoon in die zin. Zo'n wezen is immers geheel en al overgeleverd aan de ervaringen van lust en onlust die, zonder dat zij dat kan beÔnvloeden, op haar afkomen. Dat blijft nog lang zo, zelfs als een kind al groter is. Een kleuter die bij moeder op schoot zit, grijpt haar koekje, als hij daar zin in heeft; of zij grijpt het speelgoed van het andere kind. Dat komt niet alleen omdat de grens tussen het ik en de ander vaag zou zijn, het heeft ook te maken met de onbeheersbaarheid van de affecten en verlangens. Kinderen zijn uitgeleverd aan de bij hen opkomende wensen. Zij worden als papieren scheepjes heen en weer geblazen op de zee van hun verlangens. Nu eens hierheen, dan weer daarheen, zonder dat zij daar zelf veel invloed op kunnen uitoefenen. Het proces van volwassenwording is, ten minste deels, te beschrijven als een proces waarin die extreme onbeheersbaarheid wordt getemperd; een proces waarin wij langzamerhand greep op onszelf, en daarmee ook op onze wereld, beginnen te krijgen. Wat wij bedoelen met een persoon, is een wezen dat in staat is ordening aan te brengen in de veelheid van wensen en strevingen die wij op ieder willekeurig moment hebben.
Nu kan die ordening op veel manieren plaatsvinden. De meest voor de hand liggende wijze is de strategische. Ik wil iets, maar ik weet dat het contraproductief zou zijn om direct aan die wens gevolg te geven. Ik weet ook via welke andere weg ik het verlangde toch zou kunnen verwerven. Er vindt dus nog geen selectie tussen wensen plaats, in die zin dat sommige wensen verworpen zouden worden. Maar er vindt een structurering van de wensen plaats zodanig dat het ik besluit om te willen dat wens B de voorrang heeft boven wens A. Het ik brengt als het ware verdiepingen, lagen aan in haar wensenpakket. Op het moment dat iemand in staat is deze strategisehe afweging te maken, is een stap gezet in de richting van persoonlijkheid. Het betekent immers dat een eerste ordening ptaatsvindt en dat de extreme afhankelijkheid van wensen en begeerten die ons als het ware overspoelen, wordt getemperd. Waar die onderwerping volledig is zijn we alleen maar object. Er is geen 'ik', er is alleen de honger, of de kou, of het leuke speelgoedeendje. Strategische manipulatie kan zowel het zelf als de ander betreffen. Baby's schijnen vrij snel hun ouders of verzorgers te leren manipuleren. Ze leren hoe ze hun zin kunnen krijgen, ook al zouden ze niet in woorden kunnen uitleggen wat ze doen.

inhoud

IDEALEN

In een later stadium van de ontwikkeling leren we ook andere dan alleen strategische afwegingen te maken. Hetjonge kind, dat net als vader of moeder wil zijn, heeft niet alleen een voorbeeld maar tegelijkertijd ook een ideaal. Via een proces van identificatie eigenen we ons dit ideaal, al dan niet gemodificeerd, ten slotte toe. Zů willen we zijn. Kenmerkend voor een ideaal is dat daarmee eisen worden gesteld, waardoor van sommige dingen geldt dat ze 'moeten' en van andere dat ze per se niet 'mogen'. Het veelgeciteerde verbod 'Jongens huilen niet' is, of was, een onderdeel van het ideaal van echte mannelijkheid. Een ideaal is daarom niet een hogere trap in de strategie, alsof zo'n ideaal ons nog beter dan de eerdergenoemde, strategische overwegingen helpt om onze wensen te bevredigen. Een ideaal fourneert ons juist met nieuwe wensen, die niet zozeer betrekking hebben op zaken of standen van zaken buiten ons, maar op onszelf en onze wensen. We willen niet zozeer 'iets', maar we willen een bepaald iemand zijn en bepaalde wensen hebben, ook al hebben we ze nu niet. Een ideaal voorziet ons van voorkeuren over wie we zouden willen zijn, en dat houdt tegelijkertijd in voorkeuren over de manier waarop we met onze eerstaanwezige, basale preferenties omgaan. Moderne filosofen spreken hier graag over eerste- en tweede-orde voorkeuren. Eerste-orde voorkeuren zijn het materiaal waarop tweede-orde voorkeuren zich richten. Het ideaal is nog een verdere stap weg van de onderwerping aan de op onmiddellijke bevrediging gerichte affecten dan de strate°gische manipulatie van voorkeuren al was. Het fourneert ons immers met wensen die haaks kunnen staan op verlangens die we al hebben. Zo wordt lekker huilen in een onaangename situatie onaantrekkelijk als 'jongens niet huilen'.
Eerder zei ik dat waar die onderwerping aan de onmiddellijke wensbevrediging volledig is, we alleen maar object zijn. Strategische manipulatie van ons wensenpakket is een stap vooruit, maar het is een stadium waardoor we ons nog niet van een intelligente hond onderscheiden. Van zo'n onderscheid is pas sprake wanneer er sprake is van een ideaal. Daarmee is de beslissende stap gezet op weg naar persoon-zijn en daarmee op de weg naar de individualiteit.
Ook hier geldt dat een gedeelte van dit proces ongearticuleerd kan verlopen. Er zijn natuurlijk de expliciete geboden en verboden die met bepaalde idealen verbonden zijn, maar veel informatie over levensvormen komt op een andere dan de expliciete weg tot ons. Wat het betekent een ouder, een vriend, een zakenman of wat ook maar te zijn, leren we grotendeels door participatie in die levensvorm, door af te kijken wat anderen doen. Afkijken is, anders dan op school waar het om de individuele presatie gaat, in cultureel opzicht dus niet iets laakbaars maar het is veeleer de aangewezen weg om te worden wie je wilt zijn. Dit suggereert, interessant genoeg, dat het niet - althans niet in de eerste plaats - gaat om een individuele prestatie.
Hoewel het belangrijk is te realiseren hoeveel relevante informatie op andere dan de verbale weg tot ons komt, als we spreken over levensvormen, gaat het niet zonder woorden. Idealen impliceren zelfbeoordeling. Idealen bieden ons de maatstaf waaraan we meten of we het goed gedaan hebben, of wellicht juist jammerlijk falen. Voorzover de aanvankelijk door anderen gerepresenteerde levens- en gedragswijzen onze idealen geworden zijn, is de maatstaf die ons aanvankelijk door anderen wordt voorgehouden, ook onze maatstaf geworden: niet langer iets wat alleen van buiten wordt opgelegd, maar de vanzelfsprekende manier waarop we naar onszelf kijken. We hebben ons een ideaal met de daarin geÔmpliceerde evaluaties eigen gemaakt. Als we dan reden hebben om tevreden te zijn over onszelf dan leidt dat tot gevoelens van zelfrespect en eigenwaarde, en waar van het tegendeel sprake is tot gevoelens van schaamte en schuld. Onze identiteit is dus onlosmakelijk verbonden met de voorstellingen over wie we zouden willen zijn. Zonder identiteit geen zelfevaluatie, maar zonder zelfevaluatie ook geen identiteit. Een hond beoordeelt zichzelf niet, hij holt en dolt en alleen de baas zegt 'brave hond'. Mensen worden, net als honden, ook van buitenaf beoordeeld, maar het kenmerkende voor personen is dat ze zichzelf beoordelen.
Het proces van zelfbeoordeling refereert aan voorstellingen over wie we zouden wilien zijn. In dat begrip 'voorstelling' grijpen de niet verbaal gearticuleerde en de wel uitgesproken elementen in elkaar. De levensvorm van het 'ouderschap' bij voorbeeld wordt ons eerst voorgeleefd, dat is onze eerste kennismaking met die levensvorm. Maar mensen leveren ook voortdurend positief of negatief commentaar op elkaars wijze van leven. Dat commentaar, in de vorm van opmerkingen, lof of blaam, bevat de brokstukken van criteria en evaluaties. Al die fragmenten te zamen leveren een bepaald beeld van de levensvorm in kwestie op, met de criteria en de beweegredenen die mensen hebben of zouden moeten hebben. Een voorstelling over een levensvorm bevat immers niet alleen het ideaalbeeld zelf, maar ook de redenen waarom dat beeld nastrevenswaard zou zijn. Die redenen kunnen minder of meer uitgesponnen zijn en we moeten ze ook niet al te intellectualistisch opvatten, maar er zijn redenen. Ideaalbeelden zijn geen bevliegingen die morgen wellicht voor andere bevliegingen kunnen worden ingeruild. De redenen waarom het gaat, verwijzen naar waarden, naar wat de moeite waard is. Op deze manier grijpen identiteit, zelfevaluatie en waarden ineen. lemand kan zich alleen maar schamen of schuldig voelen wanneer zij iets van waarde heeft verzaakt. Iemand kan alleen maar trots op zichzelf zijn, wanneer hij meent dat hij iets waardevols heeft gedaan. Identiteit en zelfevaluatie zijn dus coŽxtensief met het waardepatroon van de betrokkene.
Dit klinkt misschien zo alsof we op een bepaald moment voor eens en altijd een bepaalde identiteit hebben, alsof het leerproces zich slechts eenmaal en wel in de vroege jeugd zou afspelen. Maar zo statisch is het natuurlijk niet. Idealen kunnen worden aangevuld, gereviseerd of, in een uiterste geval, verworpen. Boven op het zoŽven opgetrokken gebouw kan immers nog een volgend gezet worden. Op dat niveau stellen we ons de vraag of de idealen die we hebben wel de juiste idealen zijn. Is het inderdaad zo vanzelfsprekend dat jongens niet huilen of zou het beter zijn wanneer mannen hun emoties, juist ook die van kwetsbaarheid, meer publiek zouden tonen? Is het zo vanzelfsprekend dat vrouwen zich specialiseren in de rol van invoelen, luisteren en medeleven? Zou wat meer assertiviteit niet gewenst zijn?
Uit deze en dergelijke vragen blijkt al dat het niet kan gaan om een hoogstpersoonlijke ontwikkelingsgang. De idealen die we krijgen aangereikt komen wellicht in eerste instantie tot ons via onze ouders en opvoeders, maar zij putten uit het culturele arsenaal van hun tijd en cultuur. Alras worden we in de ontmoeting met onze tijdgenoten ook met andere dan de ons bekende levensmogelijkheden geconfronteerd. Identiteit is dus niet een hoogstpersoonlijke constructie, maar het is een constructie met behulp van de materialen die we door anderen krijgen aangereikt.
Bij identiteit gaat het altijd om een gelaagde, complexe constructie. Ook de man uit ťťn stuk is niet een eendimensionaal wezen, maar het is iemand die op betrouwbare en integere wijze een aantal kwaliteiten tentoonspreidt. Een persoon, iedere persoon, is als het ware voortdurend in gesprek met zichzelf over de onder- of nevenschikking van de vele wensen, affecten en idealen die hij heeft. De wijze waarop iemand dat gesprek met zichzelf voert, maakt iemand tot wat hij is. Wij identificeren ons met de door ons als goed beschouwde uitkomsten, wij distantiŽren ons door gevoelens van tekortschieten, schuld of schaamte van de ongewenste uitkomsten. Op die manier zijn wij herkenbaar als deze specifieke persoon, niet alleen voor anderen, maar ook voor onszelf.

inhoud

FILOSOFEN OVER IDEALEN

Eerder zei ik dat wat we met persoon bedoelen een gelaagd, complex verschijnsel is. Het kenmerkende van persoonschap is dat mensen kritisch in gesprek zijn met zichzelf. Dat gesprek van het ik met het zelf is een filosofisch thema bij uitstek. Hoe dat gesprek gevoerd moet worden, welke overwegingen daarbij relevant zouden zijn, wat de doorslag moet geven, het zijn allemaal vragen die filosofen de eeuwen door steeds weer opgenomen hebben. Filosofen hebben dus niet alleen uitgelegd dat en waarom zo'n gesprek gevoerd wordt, maar ook hoe het gevoerd zou behoren te worden. Het dat en waarom heeft te maken met de analyse van persoon-zijn, het hoe heeft te maken met normen en waarden. Aannemelijk maken dat persoon-zijn en de innerlijke dialoog elkaar impliceren laat immers nog geen gevolgtrekkingen toe over de aard van het gesprek. Men zou bij voorbeeld ook kunnen zeggen dat de taak van filosofen is afgelopen indien ze het typische van persoon-zijn hebben verhelderd. Iedereen moet dan zelf maar beslissen welke elementen in die dialoog aan de orde zullen komen en welk gewicht aan de verschillende elementen moet worden toegekend. Dat is echter niet de positie die filosofen traditioneel gekozen hebben. Zowel in de Europese traditie als elders heeft men gefilosofeerd over de vraag wat het leven goed maakt en hoe mensen daaraan door eigen keuzen en houdingen een bijdrage kunnen leveren. Ik wil op ťťn familie van ideeŽn uit die traditie kort ingaan om duidelijker te maken wat zo'n innerlijke dialoog zou kunnen inhouden.
Wie morgen een examen moet doen, doet er beter aan om niet te blijven plakken in de kroeg ook al lijkt dit op dat moment heel aantrekkelijk. Hetzelfde geldt voor die talloze andere afwegingen, waarin korte- en lange-termijn wensen om de voorrang strijden. Wie wat wil bereiken in de maatschappelijke wereld doet er goed aan diploma's te halen - ook al is dat nu saai. Wie niet voortijdig aan hart- en vaatziekten wil bezwijken, doet er goed aan kritisch naar zijn eetgewoonten te kijken. Zorgen voor jezelf, niet zomaar van de vervulling van de ene toevallig aanwezige wens naar de andere leven, het hoort alles bij de goede raadgevingen die filosofen de eeuwen door over mensen hebben uitgestort. De lessen voor het goede leven zijn voor een groot gedeelte lessen in zelfbeheer en daarmee lessen in zelfbeheersing. Waar in de handboeken voor verstandige levensvoering de eeuwen door op gewezen wordt, is hoe we onze belangrijke, overkoepelende doelen in dit leven kunnen bereiken door ons niet voortdurend te laten afleiden door de attracties van de weg. Maar als het erom gaat onze doelen in het oog te houden en ons niet door vluchtige pleziertjes van de reis te laten afhouden, dan wordt de beantwoording van de vraag wŠt het doel is en wŠt als afleiding moet worden beschouwd, cruciaal. En dat betekent dat er gesproken moet worden over wat uiteindelijk van waarde is.
Op dit punt nu is er een merkwaardige overeenkomst tussen tradities van heel verschillende huize. Er is een, door eeuwen en culturen heen lopende, visie die leert dat er alle reden is om onze primaire wensen en affecties te wantrouwen. Met basale wensen en affecties bedoel ik die beweegredenen die in aanleg bij een ieder aanwezig zijn en die het materiaal vormen op grond waarvan we onze tweede-orde voorkeuren formuleren.
De redenen die aangevoerd worden waarom we die basale wensen en affecties moeten wantrouwen, zijn velerlei. Plato, die een belangrijk vertegenwoordiger is van die traditie, zegt bij voorbeeld dat de strevingen die gericht zijn op de vergankelijke wereld, ons kwetsbaar maken voor verlies. Of die strevingen vervuld kunnen worden is afhankelijk van tal van factoren. Voedsel, vriendschap, gezondheid, rijkdom, het zijn evenzovele zaken die ons plotseling kunnen ontvallen. Wie zich daarop uitsluitend richt, maakt de kwaliteit van zijn leven afhankelijk van niet-beheersbare omstandigheden. Beter is het om je te richten op datgene wat blijft: op het onvergankelijke ware zijn. Wie daarop gericht is kan niet door de wisselingen van het lot bedrogen worden. Deze visie herinnert aan de vermaning van Jezus: 'Verzamelt u geen schatten op de aarde waar ze de mot en de roest verteert, maar verzamelt u schatten in de hemel'. Het herinnert evenzeer aan de boeddhistische leer volgens welke wij door onze begeerten en strevingen die gericht zijn op het aardse, geklonken blijven aan de wereld van lijden. Alleen een radicale heroriŽntatie is in staat om die fatale kringloop te doorbreken. Plato, de Stoa, sommige varianten van het christendom, het boeddhisme hebben, met andere woorden, een waardeleer die wijst naar het duurzame, dat niet van deze aarde is. Dat is hun gemeenschappelijke inzet, hoe verschillend ze in de uitwerking van die gedachte ook mogen zijn. Al deze visies, westers, niet-westers, christelijk, niet-christelijk hebben een waardeleer die wijst naar het duurzame, dat niet van deze wereld is. Wie daarop gericht wil zijn - en dat is het advies - moet zich niet door zijn passies laten meeslepen, want zij leiden slechts af.
Passies leiden niet alleen af, ze zijn ook mateloos, want onbevredigbaar. Het streven naar genot, eer, macht, rijkdom heeft geen eindpunt, want het bereikte wijst altijd naar meer. De bevrediging van de wens naar genot duurt slechts kort en al snel dient zich weer een andere wens naar genot aan. Hetzelfde geldt voor het streven naar rijkdom of eer. Ook daar geldt dat het bereikte nooit genoeg is. Er is per definitie geen punt waarop het genoeg zou kunnen zijn. Wie zich op zulke principieel onbevredigbare - want niet te bevredigen - waarden richt, heeft geen tijd en aandacht voor iets anders. Het doel ontglipt steeds weer en claimt dus alle aandacht en energie, ondanks het feit dat het ideaal zelfgekozen is. Wie zich op de vervulling van deze waarden richt wordt gedreven door zijn passies. Het zelfgekozen ideaal leidt tot horigheid. Daarom kan het leven van iemand die gedomineerd wordt door deze wensen, geen 'goed' leven zijn.
Het advies dat door filosofen uit deze traditie gegeven wordt, is er daarom op gericht om de onverzadigbare passies hun plaats te wijzen. In het boeddhisme heel rigoureus door te streven naar de verlossing uit de kringloop van geboorten, bij Plato iets gematigder door voor de onverzadigbare passies een zo klein mogelijke plaats in te ruimen, in de Stoa weer anders door een staat van onthechting ten aanzien van de vervulling van wensen aan te bevelen. De combinatie van stoÔcisme en christendom is in Europa heel invloedrijk geweest. Met name intellectuelen hebben zich door de eeuwen heen door deze visie laten inspireren.

inhoud

MODERNE IDENTITEIT: HET HEROISCH MISVERSTAND

Na deze opmerkingen over identiteit in het algemeen en de excursie naar een invloedrijke traditie in het denken over de ordening van voorkeuren, wil ik mij nu richten op een aantal typisch moderne vragen in verband met identiteit. Ik ben eerder met opzet ingegaan op de onontkoombaar sociale aspecten van individualiteit en levensvormen. Wij leven immers in een cultuur die met enorme nadruk de vrijheid van individuen voor de keuze van hun eigen leven propageert en daarbij onze sociale en psychologische schatplichtigheid wel eens uit het oog dreigt te verliezen. Laten we om te beginnen vaststellen dat de mogelijkheden voor individuen om tradities en levensvormen waarin ze zijn opgegroeid te verlaten en in te wisselen voor andere, in onze tijd ongekend groot is. Dat is hťt grote verschil vergeleken met traditionele maatschappijen, waarin die ruimte niet of nauwelijks bestond.
De eenzijdige nadruk op de vrijheid van het individu leidt eehter tot een aantal typisch moderne misverstanden. Een eerste misverstand is dat mensen als het ware uit het niets, geheel en al aangewezen op hun persoonlijke inventiviteit, zich een persoonlijkheid ontwerpen. Die opvatting heb ik door mijn eerdere uiteenzetting willen relativeren. Alles wat wij weten over psychologie en sociologie staat haaks op deze gedachte. Een dergelijke misvatting verstoort onze mogelijkheden tot zelfbegrip. Zaken die voor het grijpen liggen negeren, moet tot problemen leiden. Dat geldt voor culturen net zo goed als voor individuen. Individuele identiteit is en kan ook geen creatio ex nihilo zijn. We zouden dit het heroÔsch misverstand kunnen noemen. We beschouwen onszelf als quasi-goden die uit het niets kunnen scheppen.
Er is een tweede misvatting, verwant met de eerste: dat wij alleen maar zouden zijn wie we door onze eigen keuzen en handelingen verkiezen te zijn. De mens als actor is de cult-figuur van de moderne tijd. Maar veel, en misschien geldt dat wel de belangrijkste dingen in ons leven, overkomt ons. Dat begint al direct bij het allereerste begin: we worden geboren met een bepaalde genetische make-up, uit bepaalde ouders. Daaraan valt niets te kiezen en we moeten er het beste van zien te maken. Maar ook verder in het leven zijn het lang niet altijd onze keuzen en handelingen die beslissend sturen. Natuurlijk is het actieve en initiŽrende element wel aanwezig, zeker in onze bewuste voorstellingen van onszelf, maar daarnaast is er een belangrijk passief element: dingen die ons overkomen, gebeurtenissen die ons leven een beslissende wending geven. In een interpretatie die alleen naar de actor-elementen zou kijken, moeten we de dingen die ons overkomen beschouwen als niet-ik, vreemd, als niet behorend bij onze identiteit, als zaken waar we eigenlijk ook niet op kunnen worden aangesproken. Maar is het niet onrealistisch, indien wie en wat we aanvankelijk zijn, het materiaal waarmee het leven begint, ons overkomt? En dat geldt, ik zei het al, niet alleen het begin maar ook vele andere ontwikkelingen in ons leven. Veeleer ligt het voor de hand om het individuele en het actorschap niet te beperken tot het actieve en initiŽrende, maar het ook te zien in de wijze waarop we omgaan met datgene wat ons overkomt, in de houding die we innemen ten aanzien van het lot. Amor fati is wellicht een te meegaande opstelling, maar negatio fati is het andere uiterste.

inhoud

MODERNE IDENTITEIT: HET ONBEGRENSDE ZELF

Maar ook als we op deze manier hebben afgerekend met een aantal overdreven voorstellingen over de mogelijkheden van onze tijd, dan geldt toch nog steeds dat onze ruimte voor het maken van individuele keuzen zeer groot is. Dat die ruimte voor individuen om zich een eigen leven te kiezen er is, is ten dele het gevolg van feitelijke ontwikkelingen, ten dele ook van normatieve keuzen die wij als samenleving gemaakt hebben. Tot de feitelijke ontwikkelingen die hebben bijgedragen aan het scheppen van individuele ruimte, hoort het verdwijnen van algemeen gedeelde zingevingskaders. Dat proces is in Europa al in de zestiende eeuw begonnen, maar in deze eeuw heeft die ontwikke°ling zich enorm geÔntensiveerd. Misschien is een door ieder gedeelde cultuur een romantisehe projectie op het verleden, maar het is duidelijk dat van zo'n gedeelde cultuur in de moderne wereld minder dan ooit sprake is.
Er is ook een normatieve reden waarom ons soort samenleving een ongekend grote ruimte voor het individu heeft gereserveerd. Het besef van de door de godsdienstoorlogen verloren eenheid drong geleidelijk bij steeds meer mensen door. De Verlichtingsfilosofie heeft, reagerend op deze situatie, programmatisch uitgewerkt hoe een samenleving van mensen met fundamenteel andere levensoriŽntaties eruit zou moeten zien. Globaal gesproken draait die oplossing uit op een scheiding tussen privť en publiek. Een privť-terrein waarop ieder naar eigen beste inzichten mag leven, op voorwaarde dat anderen ook die ruimte wordt gegund, en een publiek terrein waarop we regelen wat nodig en mogelijk is voor het samenleven met anderen.
De eisen die daardoor aan individuen worden gesteld, zijn niet gering. Zij moeten, ten eerste, in die open ruimte zelf keuzen maken. Ze moeten voorts in de publieke ruimte leren samenleven met anderen die andere keuzen maken. En ze moeten dat grotendeels doen op grond van eigen inzichten. Want met de creatie van die vrije ruimte verdwenen ook de autoriteiten die zeiden wat van waarde was en wat niet. Dat is mede de reden waarom moderne filosofen hun taak meestal anders opvatten dan in de tijd toen men van mening was dat er tenslotte ťťn voor allen geldende en ťťn voor allen inzichtelijke waarheid was. Moderne theoretici zijn meestal aanzienlijk terughoudender in de gebiedsomschrijving van de ethiek dan de filosofen uit de voor-moderne tijd. Deze laatsten spraken onbekommerd over het goede leven, de waarden die daarbij hoorden en de karaktereigenschappen die dat mogelijk maken. Moderne ethici reserveren hun aandacht meestal tot een beperkt terrein, het publieke, waar ieder van ons duidelijk omschreven, maar ook beperkte verplichtingen heeft ten aanzien van de medeburgers. De vraag naar het goede leven wordt daarmee gedelegeerd naar het privť-terrein omdat men algemeen geldende antwoorden op dit gebied niet meer mogelijk acht. Sommigen menen zelfs dat de vraag naar het goede leven meer op een esthetische vraag lijkt: ieder moet maar doen wat goed is in eigen ogen, op voorwaarde dat we de beperkte basisverplichtingen die er ten aanzien van allen zijn, nakomen.
Wellicht is dat de verklaring voor een derde, typisch modern misverstand: het misverstand van de onbegrensde keuzemogelijkheden. Naast het heroÔsche misverstand dat identiteit beschouwt als creatio ex nihilo, naast de vergissing die actorschap als enig typerend kenmerk van de moderne mens ziet, is er de gedachte van de onbegrensde mogelijkheden. Levensbeschouwingen, van welke aard ze ook zijn, presenteren keuzen en daarmee grenzen. Door het vervagen van de levensbeschouwingen vervagen de daarbij behorende grenzen en lijkt alles wel mogelijk. We zouden alles wel kunnen worden, afhankelijk van onze keuze. Daarmee komt de hele verantwoordelijkheid voor het trekken van grenzen bij het individu. De mythe van het onbegrensde zelf zadelt mensen op met een enorme verantwoordelijkheid, maar fourneert hen tegelijk met ontsnappingsmogelijkheden. Je hoeft je immers niet te laten vastpinnen op je keuzen, waarom zou je niet weer eens iets anders proberen? Vandaar de vluchtigheid, de lichtheid van het moderne bestaan.

inhoud

INDIVIDU, GEMEENSCHAP EN HET GOEDE LEVEN

Hoewel de terughoudendheid en de aarzelingen van moderne ethici begrijpelijk zijn, is het verdwijnen van een publieke discussie over wat het leven zin geeft een verlies. In een publieke discussie kunnen we immers profiteren van de inzichten van anderen, kunnen we ons laten corrigeren door de argumenten van anderen, kunnen we wellicht ook bijdragen aan de meningsvorming van anderen. Op voorwaarde dat het gesprek over levensoriŽntaties zonder dwang gevoerd wordt, moeten we ons die kans niet laten ontnemen.
In dat kader zou ik willen terugkomen op de filosofische traditie die ik eerder besprak, de traditie die een kritische distantie ten aanzien van principieel onverzadigbare wensen aanbeval. Sinds de industriŽle revolutie en het daarop gebaseerde proces van massaproductie en massaconsumptie leven we in een wereld - althans in ons deel van de wereld - waarin het eruit ziet alsof de dingen niet op kunnen. Zou het kunnen zijn dat die enorme, dolgedraaide consumptiemachine de remplaÁant is van de teloorgegane levensbeschouwingen? Het is speculatie, maar een aantal elementen uit die ontwikkeling hangt ongetwijfeld met elkaar samen. De instrumentele rede, die niet in staat is om over waarden en normen verbindend te spreken, is uitnemend in staat om de wetenschappelijk aangedreven productie op gang te houden. Die instrumentele rede kan zichzelf geen grenzen stellen behalve die ene, de onontkoombare grens van de eindigheid en beperktheid van de hulpbronnen waarover we beschikken. Alle andere noties van grenzen veronderstellen normen. De typisch moderne inzet van de rede spiegelt ons dus voor dat er geen grenzen zijn en ten bewijze daarvan wordt gewezen op het overvloedige en steeds overvloediger wordende aanbod. Maar diezelfde instrumentele rede is per definitie niet in staat om ons behulpzaam te zijn bij het nadenken over normen en dus ook niet over zelfgewilde grenzen. Dat onvermogen van de instrumentele rede om verbindend te spreken over waarheid en zin was juist de ervaring die de aanleiding vormde voor het pleidooi voor individuele ruimte.
Aan de ene kant is er dus materiŽle overvloed, aan de andere kant zijn er de talloze individuen die zelf mogen kiezen, maar velen weten niet wat. Het onbegrensde zelf wordt bevangen door duizeling, geconfronteerd met de schier eindeloze mogelijkheden tot levensvoering. En wat is dan eenvoudiger en voor de hand liggender dan om de basale wensen, die we tenslotte allemaal hebben, als fundamenteel te beschouwen? Ordening van die wensen veronderstelt immers een voorstelling over wat blijvend van waarde is en daar zitten de meesten van ons met de handen in het haar. Plato's eeuwige wereld der ideeŽn, van het ware zijn, is voor de meesten van ons niet overtuigend. Om deze wereld te zien als een wereld van lijden, zoals het boeddhisme ons aanbeveelt, is vanuit onze verwende welvaartspositie te onwaarschijnlijk. Stoa en christendom hebben gelijkelijk het veld geruimd uit de moderne wereld.
Wat we nodig hebben is een visie waarin we aan onszelf en aan elkaar duidelijk kunnen maken wat duurzaam van waarde is. Dat hoeft geen Weltverneinung in te houden. Wat van waarde is hoeft niet voorbij deze wereld gezocht te worden, misschien is het het meest nabije: het leven zelf. Als we het er met elkaar over eens zouden zijn dat het leven van mensen, ondanks de verschrikkelijke dingen die mensen elkaar regelmatig aandoen, waard is geleefd te worden, dan spreken we over iets van waarde wat van deze wereld is. Als we het met elkaar eens zijn dat de muziek van Bach, de schilderingen van Picasso, de theorieŽn van Einstein de rijkdom en de mogelijkheden van mens-zijn illustreren, dan zijn we op het spoor van waarden die niet parasiteren op onbevredigbare en tenslotte ook onbevredigende levensidealen. Dat zou een visie op identiteit zijn die het heroÔsche misverstand laat corrigeren door het zicht op de gemeenschap, die het actorschap van individuen stelt binnen de onontkoombaarheid van wat ons overkomt, en die de mythe van de onbegrensde mogelijkheden vervangt door het bewustzijn van de noodzaak van grenzen. Het is een meer bescheiden visie, maar de enige die ons uitzicht biedt op duurzaamheid.
Dat de hulpbronnen die onze wereld exploiteert, eindig zijn, is niet te ontkennen. Wij staan voor de keuze of we gezamenlijk tegen die ene onontkoombare, want materiŽle grens willen aanlopen, wanneer we doorgaan ons te laten voortjagen door het eindeloze verbruik van materiŽle goederen. Of, en dat is het alternatief, zijn we in staat tot een bestaan waarin wij het zijn die de grenzen trekken? Wie aan onverzadigbare wensen verslaafd is loopt tegen de grenzen aan, wie wijs is stelt haar eigen grenzen.

inhoud

Wijlen prof. dr. Trudy van Asperen was hoogleraar ethiek aan de Universiteit van Amsterdam. 'De mythe van het onbegrensde zelf' is verschenen in: G.M. van Asperen, Het bedachte leven. Beschouwingen over maatschappij, zingeving en ethiek (Amsterdam 1993).

***