socrates

Communicatie in de 21e eeuw

Jo Groebel
Socrateslezing 1995

Inhoud
1. Inleiding
2. Heden
3. Toekomst
4. Realiteit
5. Informatie

1. Inleiding

Hoe breng je Socrates en de nieuwe media samen? Mijn uitgangspunt is een uitspraak van Socrates die mij, na zes jaar onderwijs Oud-Grieks, nog steeds helder voor de geest staat en die ook door mijn leraar Grieks als bijzonder belangrijk werd beschouwd: Oida ouk oida, vertaald betekent dat: 'ik weet dat ik niets weet'. Veel media-goeroes die zich uitspreken over de ontwikkelingen in de nieuwe media en over de toekomst van de media, nemen, mijns inziens, deze stelling niet serieus. Er zijn boeken op de markt van onder andere Nicolas Negroponte, Bill Gates en van een aantal andere mensen die allemaal precies lijken te weten waar het naar toe gaat. Ik zie dat ook als een valkuil voor mij, wanneer ik hier probeer een schets van de toekomst van de nieuwe media te geven. Een toekomst die moeilijk te voorspellen is.

Als we kijken naar de ideeën die mensen honderd jaar geleden hadden over wat men allemaal met de telefoon zou kunnen doen of met de Nipkowschijf, die de basis vormde voor de televisie en de film, dan zien we dat de meesten van hen het mis hadden. Een schets van de toekomst maken is niet meer dan een gok. Het is volgens mij dan ook belangrijker die toekomst te helpen construeren dan te voorspellen. Via denken en discussies zouden wij niet alleen passief grip op deze toekomst willen krijgen, maar moeten wij ook in de gaten houden, hoe deze door mensen of een maatschappij zelf gevormd kan worden.

Mijn invalshoek is hier dat ik niet wil voorspellen, hoe de maatschappij met de nieuwe media eruit zal zien. Integendeel, ik zal via het poneren van stellingen een beeld schetsen dat mogelijk wat extremer overkomt dan ik het als wetenschapper eigenlijk zie, en daarmee zal ik de toekomst mede bepalen. Bovendien zal ik een aantal zaken beweren om ook een discussie in gang te zetten die daardoor zelf weer een stuwende functie in deze toekomst heeft. Maar ik zal mij niet op een puur utopische benadering baseren. Ik ben van huis uit psycholoog en ik heb in mijn benadering van de psychologie geleerd dat je dingen 'meetbaar' moet maken. Dat betekent dat ik meer in feiten geloof die ondersteund worden door de een of andere observatie. Ik verkies zo'n bijna natuurwetenschappelijke benadering boven allerlei mooie gedachtegangen die niet in de realiteit terugkomen. Ik wil proberen te kijken waar, onafhankelijk van de technologie, menselijk gedrag en menselijke behoeften zijn veranderd. Ik geloof dat deze nauwelijks zijn veranderd.

Globaal kunnen we zeggen dat door technologie ook structuren van samenleven, van gevoelens, van behoeften en van denken sterk zijn gewijzigd. Ik zal via een zoektocht door het verleden en het heden in deze lezing een aantal conclusies trekken. Hier volgt het resultaat van die gedachtegang.

Mijn eerste stelling is dat de mediatoekomst morgen al weer oud is. De mediatoekomst is geen revolutie waarbij we op een dag wakker worden en merken dat alles is veranderd. Het is een volgende fase in een continu proces. De revolutie speelt zich wel soms af in het hoofd, in de ogen van mensen. Zij worden plotseling wakker en ontdekken dat ze nieuwe apparatuur hebben of zien ineens dat een aantal dingen veranderd is. De term 'nieuwe media' vind ik eigenlijk een onzinnige term. In de jaren zeventig had men het ook al over de nieuwe media. Dat waren toen de videorecorder en videotex, wat nu oude media zijn. Het is beter te spreken van ontwikkeling, van evolutie, een continu proces dat soms wat snellere fases kent en soms wat langzamere fases, maar dat niet stopt. Er zijn in dit proces echter ontwikkelingen gebeurd waarvan ik geloof dat ze nog steeds niet algemeen bekend zijn. Drie daarvan wil ik noemen.

De eerste heeft betrekking op de psychologische aspecten van de 'nieuwe' media, dus op het individu. De tweede heeft betrekking op het samenleven, de communicatie tussen mensen. De derde heeft iets te maken met de economische gegevens in deze maatschappij.

2. Heden

inhoud

Wat betreft het individu heb ik een paar concrete voorbeelden. Een aantal weken geleden werd ik uitgenodigd als dagvoorzitter bij een congres over de zogenoemde 'virtual reality'. Daar kwamen mensen die in de Verenigde Staten vooraan lopen bij deze ontwikkeling. Virtual reality is een digitale of elektronische simulatie van een werkelijkheid die driedimensionaal is. Mensen kunnen daarbij, ook door aanraken van elkaar of hun apparatuur, een illusie krijgen van een werkelijkheid die in feite puur elektronisch geconstrueerd is. In de film Disclosure, met de acteur Michael Douglas in de hoofdrol, is bijvoorbeeld een scène met een virtuele bibliotheek te zien. Men kan zich zo'n bibliotheek als volgt voorstellen. Iemand is gewoon thuis. Hij staat op een klein platform waarop hij bewegingen kan maken alsof hij door een ruimte heen beweegt. Hij kan bewegingen met de handen maken. Hij heeft nu nog een bril op, maar in de toekomst is dat een projectie in de ogen, en hij kan door de virtuele bibliotheek heen lopen. Hij kan boeken uit de kast halen; als hij een aanrakingsbeweging maakt, voelt hij dat hij een boek in handen heeft. Hij begint te bladeren, stopt op een bepaalde pagina en begint te lezen. In deze ruimte is feitelijk niets anders aanwezig dan de bril, het platform en een aantal elektroden met een paar luchtkussens aan de hand. Bij de persoon zelf bestaat de illusie dat hij het allemaal echt gedaan heeft. Het is immaterieel, het is een digitale code en in zoverre natuurlijk ook weer materieel, maar het is een volledige verplaatsing van een driedimensionale echte wereld naar een virtuele wereld. Dat is geen utopie. Dat is een techniek die al bestaat.

Een ander voorbeeld is de virtuele weergave van de overleden actrice Marilyn Monroe. Je kunt haar spreken en in de toekomst ook aanraken. Zij werd in Hollywood gemaakt door Scott Billups. Wat beweging betreft is ze nog een kind, maar ze maakt een evolutionaire ontwikkeling door. Het interessante is dat zij in de computer langzaam, maar sneller dan gewone mensen, groeit. De bewegingen die ze nu maakt, zijn nog kinderlijk, omdat de computer nog niet de capaciteit heeft om haar een volledig volwassen manier van bewegen te geven. Maar de verwachting is dat deze ontwikkeling met een factor vier versneld verder gaat, zodat over twaalf maanden de kwaliteit van deze Marilyn verdubbeld is. Als ze twintig jaar oud is, is de prijs om dat systeem te kunnen omzetten gehalveerd. Wij kunnen inderdaad binnen twee of drie jaar een perfecte Marilyn Monroe tegemoet zien. En daar blijft het niet bij.

Deze virtuele Marilyn Monroe is nu nog steeds ons idee en wij zijn het die met haar spreken. De volgende stap is dat zij in het systeem een 'brein' meekrijgt en een virtuele partner tegenover zich vindt. Die twee kunnen dan een zinnige dialoog met elkaar voeren die helemaal niet meer gestuurd wordt door mensen.

Mijn laatste voorbeeld is de in 1995 uitgebrachte film Toy Story. Het werd een van de hoogst scorende films in Hollywood. De film werd gemaakt door een van de oprichters van Apple, Steven Jobs, die naar de filmbusiness is overgestapt. Het is de eerste film in de geschiedenis die volledig met behulp van een computer gegenereerd werd. De computer werd al gebruikt bij alle mogelijke trucs. De mogelijkheden van elektronische manipulatie van beelden zijn bekend en de computer had al zijn weg gevonden naar de tekenfilm. Het bijzondere van Toy Story is dat de figuren niet meer getekend zijn, maar volledig uitgerekend met een rekenmachine.

Wat heeft dat nu voor consequenties? Wat wij tot nu toe als realiteit beschouwden, krijgt door deze technieken een andere dimensie. Maar we moeten niet te snel consequenties eraan verbinden. Toen mensen aan het begin van deze eeuw naar de bioscoop gingen en de eerste zwart

Het tweede niveau waarop we een aantal veranderingen zien, is dat van de onderlinge communicatie. Internet is daar een voorbeeld van. Ik veronderstel dat iedereen daar wel iets over heeft gelezen. Ik denk dat Internet momenteel een grote hype is. Veel mensen geloven dat over tien, twintig jaar iedereen bijna verslaafd aan het net hangt en alles alleen nog maar via het Internet doet.

Internet bestaat in feite al sinds 1969. Het werd oorspronkelijk opgezet als communicatiemiddel voor defensie en voor militaire doeleinden. Het wordt veel gebruikt door wetenschappers. In zoverre is het nu misschien nieuw dat het niet alleen een dialogische communicatie tussen mensen toelaat, maar ook dat mensen in groepsverband kunnen communiceren via Internet. In de meest extreme gevallen hebben mensen in dit systeem wereldwijd meer groepscontacten met elkaar dan in hun geografische omgeving. Er wordt een groepsstructuur gecreëerd die niet volkomen vergelijkbaar is met wat al bestond, en dat is iets nieuws. De tijd die mensen aan contact besteden, gaat verschuiven naar elektronische communicatie.

Een andere stelling in dit verband is dat hier een systeem ontstaat waar persoonlijke ontmoetingen en het kunnen identificeren van de ander niet meer noodzakelijk zijn. Mensen kunnen in deze digitale ruimte een groep binnenstappen, daar een aantal minuten blijven en vervolgens weer weggaan, zonder dat er een 'commitment' of loyaliteit tegenover deze groep bestaat. Dat heeft als consequentie dat er fictieve identiteiten aangenomen kunnen worden. We kunnen keuzes maken in de informatie die we over onszelf willen geven. Je kunt een groep naar believen binnenkomen als vrouw of als man en met een leeftijd die misschien helemaal niets met je wekelijke identiteit te maken heeft. Er zijn al verhalen bekend van mensen die verliefd werden via Internet en pas een half jaar later ontdekten dat de partner geen twintigjarige vrouw was, maar een drieënzestig jaar oude man. De constructie van sociale realiteit is dus niet alleen mogelijk in de virtuele realiteit, maar ook met levende mensen of verondersteld levende mensen.

De derde ontwikkeling is de economische. Ik denk dat deze factor bepalend is voor waar het in de toekomst naar toe gaat. Uit de economische pagina's van de kranten blijkt dat er momenteel dagelijks miljarden guldens omgaan in de communicatiebusiness. De communicatie-economie wordt als de grote factor van de economie van de toekomst gezien. Er gaat gigantisch veel geld in om voor apparatuur, software, rechten, distributie en personen. Wat dat betekent, zal ik met drie voorbeelden verduidelijken.

Het eerste dat opvalt is dat de veronderstelling dat de klassieke communicatiebranches nog steeds de hoofdrolspelers op dit veld zijn, niet meer opgaat. Ieder groot bedrijf is tegenwoordig met communicatie bezig. De Nederlandse Spoorwegen beschouwde ik altijd als een onderneming die mensen van A naar B transporteert. Ze hebben nu echter samen met British Telecom een coöperatie opgericht en zijn bezig om een concurrerend telefoonnet op te zetten naast de Nederlandse Telecom. Het interessante daarbij is dat opeens de klassieke brancheverdeling verdwijnt. Dat brengt hele nieuwe paradigma's met zich mee. Bovendien verschijnen bij het besturen van zo'n organisatie hele nieuwe filosofieën.

Het tweede belangrijke voorbeeld is dat van het Amerikaanse bedrijf QVC. QVC is een zogenoemde 'teleshopper', een bedrijf dat zijn producten vooral via de televisie verkoopt. Dit bedrijf bood vorig jaar bijna twintig miljard gulden voor de aankoop van de Paramount filmstudio's in Hollywood. De andere potentiële en uiteindelijke koper was Viacom, een traditionele televisiemaker en onder andere eigenaar van MTV.

Op het eerste gezicht lijkt het hier te gaan om een simpele verandering van eigenaar, maar zo'n transactie kan belangrijke implicaties hebben. Iemand die een product wil verkopen, komt via de koop van een studio ineens de omroepwereld binnen. In de toekomst is het waarschijnlijk dat hij ook nieuwsberichten gaat maken. Niet omdat hij graag nieuws brengt of een bepaalde film uitzendt. En ook niet omdat bij een visie op de publieke omroep heeft, bijvoorbeeld dat die een bijdrage moet leveren aan zo objectief mogelijke berichtgeving. Het idee erachter is dat zo'n bedrijf films en nieuwsberichten als karretje kan gebruiken om zijn producten beter kwijt te raken. Een ander voorbeeld van zo'n verschuiving is het plan van de KNVB een eigen zender op te richten.

Dat dit ontwikkelingen zijn die nu al spelen, blijkt uit de uitspraak van het hoofd van de grootste Europese televisiezender, de Duitse RTL. Deze zegt dat zijn programma niets anders is dan een transportmiddel voor reclame. Dat is een puur bedrijfsmatige benadering. Hij zendt alleen die programma's uit die de beste basis bieden om reclame kwijt te raken. Omzet is het enige wat telt. Als het met kostbare kwaliteitsprogramma's lukt, dan doet deze omroepbaas dat graag, maar als bijvoorbeeld het testbeeld daarvoor het meest geschikt zou zijn, dan zou hij dat uitzenden, want het testbeeld kost hem niets. Dus het is puur een kwestie van een kosten-batenanalyse.

Met bovenstaande voorbeelden heb ik de huidige situatie willen schetsen. De hedendaagse ontwikkeling is geen toekomstmuziek. Het zijn gebeurtenissen die met een hoge versnelling plaatsvinden en waar veel geld mee gemoeid is. Dat laatste betekent automatisch dat er consequenties aan de ontwikkelingen verbonden zijn. Anders zouden mensen er geen miljarden in steken.

3. Toekomst

inhoud

Wat zijn de consequenties van deze ontwikkeling? Ik heb al gezegd dat ik wat terughoudend en voorzichtig ben in het schetsen van een toekomstbeeld, maar toch wil ik twee dingen duidelijk maken. Ten eerste moeten wij rekening houden met de behoeften van mensen. De vraag is, zijn mensen manipuleerbaar als bijvoorbeeld wetenschappers of bedrijven zeggen wat ze moeten doen? Of doen mensen nauwelijks dingen die tegen hun eigen overtuiging ingaan?

Men onderscheidt een aantal factoren die een rol spelen bij de behoeften van mensen en de veranderingen daarin. Het is waarschijnlijk niet mogelijk om mensen van de ene dag op de andere een volkomen nieuwe techniek te laten overnemen. Ze zullen niet van de ene op de andere dag overschakelen. Veel waarschijnlijker is dat het veranderingsproces -een evolutie- een zekere traagheid kent. Het aanpassingsvermogen van jonge mensen is groter dan van oudere mensen en de eersten zullen zich de nieuwe ontwikkelingen sneller eigen maken.

Een basisprincipe is, volgens mij, dat mensen niet bereid zijn van de ene dag op de andere dingen te doen die niet sowieso al aansluiten bij bepaalde behoeften. Je kunt geen dingen doorzetten die volledig tegen de behoeften ingaan, als je tenminste geen dictator bent. Waarschuwen dat het allemaal mis gaat, lijkt me dus overdreven. Wat we echter wel moeten zien, is dat er situaties zijn waarin mensen zich, door de techniek, gedwongen voelen te reageren.

Dat wil ik illustreren met een voorbeeld uit actueel onderzoek. Ik heb me intensief beziggehouden met media-educatie voor kinderen. Daar komt men het volgende fenomeen tegen. Kinderen en jongeren kunnen makkelijk met computers en televisie omgaan. Dat is niets nieuws en een bijna triviale veronderstelling. Ze kunnen toetsenborden bedienen, ze weten wie hoofdrollen hebben op televisie. Maar ze weten niet noodzakelijkerwijs, hoe ze die dingen in een bepaalde ervaringscontext moeten plaatsen. Leraren en ook ouders hebben het gevoel dat hun eigen kinderen capaciteiten en kennis hebben die maatschappelijk belangrijk zijn, maar waar ze zelf niet mee kunnen omgaan. Daardoor krijg je een nieuw soort generatieconflict, wat meer is dan de ergernis van ouders dat hun kind de Rolling Stones goed vindt. Een rockband met lange haren was in mijn tijd een mogelijkheid om je ouders te toetsen en te plagen. Zulke dingen vormden het generatieconflict.

Maar ouders van toen konden gerust zijn. Maatschappelijk was het niet nodig de Rolling Stones te kennen, dus het was een generatieconflict dat nog een bepaalde harmonie had. Nu is de kloof tussen de generaties verontrustender, omdat computerkennis maatschappelijk een hoge waarde vertegenwoordigt. Nu kun je dan ook in alledaagse gesprekken regelmatig tegenkomen dat ouders en leraren het gevoel hebben dat ze minder competent zijn dan hun kinderen of hun scholieren. Dat levert een moeilijke situatie op. Kinderen gaan naar school met het idee dat hun leraar bepaalde kennis niet heeft en ze weten tegelijkertijd dat die kennis ontzettend belangrijk is voor het krijgen van een baan. Ik heb er geen antwoord op, maar dat is de situatie op dit moment.

Plotseling zijn ouders en leraren gedwongen om te gaan met een techniek waar ze eigenlijk zelf niet zo'n behoefte aan hebben. Het zou natuurlijk gemakkelijk zijn om te zeggen 'ik bemoei me daar niet mee, mijn kind is daar beter in'. Maar in de praktijk is dat moeilijk, zeker voor de leraren. Het is dan ook niet verwonderlijk dat politici zeggen dat er jongere leraren moeten komen die wel verstand van nieuwe media hebben. Aan de andere kant weten kinderen veel over de techniek, maar dat betekent niet dat ze ook in staat zijn die informatie te integreren. Ondersteuning voor die constatering biedt een onderzoek in de Verenigde Staten. Gedurende twintig jaar werden de verschillen gemeten tussen kinderen die veel en kinderen die weinig televisie keken. Er werd onder andere gevraagd naar feitenkennis. Wie speelt een bepaalde rol in de politiek, in de literatuur of in een bepaalde film. Daarnaast keek men naar zogenaamde procedurele kennis, de kennis die men nodig heeft om van A tot B te komen en een probleem te kunnen oplossen. Uit het onderzoek komt naar voren dat, ook als men er rekening mee houdt dat er een verband is tussen de opleiding van de ouders en het televisiekijkgedrag van kinderen, kinderen die veel televisie hebben gekeken dramatisch achteruit gegaan zijn wat betreft de procedurele kennis. Hun feitenkennis is beter dan die van 'weinigkijkers', met name over alledaagse thema's. We kunnen dus concluderen dat kennis over technologie nog niet gelijk is aan procedurele kennis. En het betekent ook niet dat mensen die kennis kunnen integreren in een alledaagse ervaringscontext.

De ontwikkeling van de 'nieuwe' media vraagt, ook al verloopt deze ontwikkeling niet revolutionair, om alertheid op mogelijke generatieknelpunten. Je moet je afvragen waar mogelijke aanpassingsproblemen zitten en wanneer je moet zeggen: 'Sorry, maar techniek is ook niet alles'. Het gaat er uiteindelijk om de techniek als instrument, als middel, te zien om met problemen om te gaan of om plezier te hebben.

4 Realiteit

inhoud

Het tweede punt dat ik in dit verband van behoeften van mensen en consequenties voor de samenleving wil benadrukken, betreft de nieuwe vormen van realiteitswaarneming die ik al eerder noemde in verband met de virtual-realitytechniek. Door de geschiedenis van de techniek heen zien we dat nieuwe werelden geconstrueerd werden. Er is onderzoek gedaan naar wat mensen in hun alledaagse informele gesprekken beweegt. Men veronderstelde dat mensen spreken over problemen die ze op dat moment hebben, over wat zich op het vlak van relaties heeft afgespeeld, over wat er in de familie gebeurt enzovoort. Observaties van informele gesprekken laten zien dat ongeveer zeventig procent van de thema's in die gesprekken te maken heeft met informatie van de media. Informatie dus die mensen niet onmiddellijk zelf hebben ervaren, maar die ze door de televisie, door boeken en door de pers hebben gekregen. Indirecte ervaring dus. De wereld waarin mensen leven, zeker als het buiten hun eigen buurt is, wordt in toenemende mate door andere media en niet door eigen ervaring geconstrueerd.

Ik houd me intensief met deze onderwerpen bezig en ik meen relatief kritisch en sceptisch met informatie om te gaan. Toch ben ik bij een reis naar Brazilië, 'natuurlijk' zou ik bijna zeggen, uitgegaan van een uitermate gevaarlijke situatie. Ik was uitgenodigd door journalisten en wetenschappers en mijn veronderstelling was dat er gewapende bendes rond zouden lopen en dat ik bewaakt zou worden. En ik dacht dat je vooral geen horloges of sieraden mee moest nemen naar Brazilië.

De misdaadcijfers in Brazilië zijn inderdaad veel hoger dan in Nederland. Maar, en dat weet nauwelijks iemand in Europa, de meeste mensen die niet sterven aan een ziekte of van ouderdom, komen om bij auto-ongelukken. Niet door misdaden. Toch is het algemene beeld dat je in Brazilië wordt aangevallen en vermoord. Twee weken lang heb ik daar niets van gemerkt. Omgekeerd bleek precies dezelfde misinformatie te bestaan. Als Duitser was ik uitgenodigd bij het Goethe-instituut en ik werd door Braziliaanse journalisten en wetenschappers benaderd die mij werkelijk in iedere discussie hetzelfde zeiden. Dat zij als Brazilianen nooit naar Duitsland zouden gaan. Ze verwachtten meteen op het vliegveld te worden neergeschoten, omdat ze buitenlanders zijn.

Ik wil met dit voorbeeld laten zien dat we dan misschien kritisch zijn en weten dat onze wederzijdse perceptie van werelden die we niet alledaags meemaken een construct van een mediaberichtgeving is. Maar er worden toch hele sterke beelden in onze hoofden gecreëerd. Zelfs door dat kleine tweedimensionale toestel van de ouderwetse televisiewereld met een onschuldig beeld en een heel vage vorm van informatie.

Met de virtual-realitytechniek gaat het nog veel verder. Het kan in principe mogelijk worden bij een oorlog driedimensionaal aanwezig te zijn. Er zijn mensen die nu al dergelijke plannen hebben. Als die virtual-realitytechniek binnen twintig of dertig jaar toepasbaar is, dan kunnen mensen driedimensionaal bijvoorbeeld een Bosnisch gevecht binnenstappen. Als dat zo is, en technisch is het nu al mogelijk, er is alleen een logistiek probleem, dan betekent dat ook dat deze, in principe voor ons niet onmiddellijk te toetsen realiteit, nog veel 'authentieker' wordt. Authentiek natuurlijk tussen aanhalingstekens. De grote kwestie die in ons onderzoek een belangrijke rol speelt, is de scheiding tussen realiteit en fictie. Die wordt door deze nieuwe techniek moeilijker.

Wij hebben, zeker in onze democratische maatschappij, instanties en mensen gedefinieerd waarvan wij geloven en veronderstellen dat zij geloofwaardig en betrouwbaar zijn. Het gaat om goed opgeleide mensen als journalisten, bibliothecarissen en leraren. Dat zijn maatschappelijk eenduidig gedefinieerde, betrouwbare instanties die keuzes voor ons maken. Ik denk dat we nog steeds met een ethische journalistiek te maken hebben, maar dat is niet vanzelfsprekend. De digitale techniek maakt het zo gemakkelijk een beeld volledig te manipuleren. Er zijn al mensen die nieuwsberichten zo bewerken dat het kernbeeld nog klopt, terwijl de omgeving ervan niet echt bestaat. Heel interessant is een voorbeeld uit Duitsland. Sinds 1995 is er een nieuwsprogramma op de Duitse buis waarbij de presentator in beeld is met op de achtergrond een redactie met twintig, dertig mensen die voor een grote wand met monitoren bezig zijn om informatie te verwerken en te telefoneren. Maar die man zit helemaal niet in die studio. De studio waar hij ogenschijnlijk in zit, is een opname die in de Verenigde Staten werd gemaakt van een Amerikaanse televisiestudio. De kijker heeft het gevoel dat die presentator temidden van een redactie zit die hem informatie levert, maar dat is niet zo. Ik zeg niet dat dat erg is, maar het toont aan dat wij er ook bij nieuwsberichten niet zomaar van uit kunnen gaan dat al die authenticiteit nog aanwezig is.

Het is opmerkelijk dat wij, ondanks onze kennis over mogelijkheden voor het wijzigen en manipuleren van de realiteit, nog steeds veronderstellen dat er sprake is van betrouwbare berichtgeving. Zolang we nog steeds betrouwbare journalisten hebben, ben ik daar ook niet zo bang voor, maar dat is niet voor de eeuwigheid gegarandeerd.

Maar er is ook een positieve kant aan deze ontwikkelingen. Het wordt mogelijk om in nieuwe werelden binnen te stappen. Via de zogenoemde 'walk throughs' kunnen mensen driedimensionaal in een wereld binnengaan die of nog niet bestaat of wel bestaat, maar voor ons niet toegankelijk was. De nog niet bestaande wereld is bijvoorbeeld een huis dat nog gebouwd moet worden. De andere is het eigen lichaam. In de jaren zestig werd daar nog een utopische film over gemaakt, getiteld The Trip. Het ging over geneeskundigen die een lichaam binnengingen, nadat ze verkleind waren. Zo'n wandeling is nu nok voor mensen zelf mogelijk. Helaas moet dat nog endoscopisch en dat is wat onaangenaam, maar in de toekomst kan het ook met een scan. Daarbij wordt het lichaam niet eens echt aangeraakt. Een geneeskundige kan in principe nu al endoscopisch met de virtual reality-techniek door bet lichaam van een mens heen wandelen. Hij kan grote bewegingen maken die vervolgens weer zo worden afgeremd dat het uiteindelijk weer een microscopische beweging wordt. Het is een manier om een operatie door te nemen.

In de toekomst hebben we misschien geen architect meer nodig. Ik zit dan in mijn kleine kamertje dat niet meer is dan een virtual gallery. 's Ochtends, als ik wakker word, kan ik kiezen waar ik vandaag eens wil wonen. In Versailles bijvoorbeeld. Ik haal het slot binnen en wandel er doorheen. Ik kan bewegingen maken en in de toekomst kan ik het misschien ook ruiken. Het is allemaal mogelijk. Of ik besluit in de Rode Hoed wakker te worden en daar een Socrateslezing te houden, en weet u dan of ik er echt sta?

5. Informatie

inhoud

Vaak wordt er gezegd: hoe meer informatie er beschikbaar is, hoe beter mensen geïnformeerd zijn. Ik ben het met die constatering niet eens. Inderdaad is, door alle elektronische mogelijkheden, meer en meer kennis in principe voor iedereen beschikbaar. Met het 'on-line' systeem waarbij de computer op een netwerk wordt aangesloten, heeft men de mogelijkheid iedere gedachte die ergens digitaal is neergezet ook de huiskamer binnen te halen. Deze zogenoemde datapools (vergaarbakken van informatie) zijn een van de grote economische factoren van de toekomst. Er wordt ontzettend veel geld verdiend met informatie die door anderen wordt gemaakt.

De vraag is echter of daar een steeds beter geïnformeerde maatschappij uit voortvloeit. Krijgen we op die manier een meer verlichte maatschappij zoals de encyclopedisten van de Franse achttiende eeuw, zoals Diderot, dachten? Zij gingen ervan uit dat de Verlichting een kwestie was van beschikbaarheid van informatie. Vijfhonderd televisiezenders die iedereen kan ontvangen, is dat Verlichting? Worden mensen daardoor beter geïnformeerd?

Nee, integendeel. De invoering van een grote hoeveelheid televisiezenders de laatste tien, twintig jaar in een aantal Europese landen en de VS heeft ertoe geleid, zo blijkt uit de kijkcijfers, dat mensen meer en meer van hetzelfde kiezen. Van meer informatie is dus helemaal geen sprake. Als er vroeger een nieuwsprogramma op televisie was, dan moest je wel kijken, omdat er niets anders was. Nu kan de kijker makkelijk overschakelen. Door de grotere hoeveelheid beschikbare informatie heeft een convergentie plaatsgevonden. Meer en meer van hetzelfde wordt door een meerderheid van de mensen bekeken. Slechts een klein deel van de mensen is inderdaad nog sneller, nog beter, nog omvattender geïnformeerd.

Een mogelijke consequentie daarvan, en dat is een discussie die ook al bij de komst van de boekdrukkunst speelde, is dat de kloof tussen heel goed en steeds beter geïnformeerde mensen en mensen die zeggen: 'het is me te veel' steeds groter wordt. Ik kan het nog niet bevestigen, en de media zijn daarbij zeker niet de belangrijkste factor, maar ik zie een correlatie tussen het potentieel aan informatie voor de Amerikaanse bevolking en de gebrekkige belangstelling voor politieke onderwerpen en het aantal mensen dat gaat stemmen. De hoeveelheid beschikbare informatie leidt er niet automatisch toe dat mensen ook meer gaan participeren. Het omgekeerde is waar. Mensen kunnen en zullen, daar hebben we concrete aanwijzingen voor, vaker kiezen voor iets dat ontzettend makkelijk is.

Ik zou willen stellen dat niemand de veelheid van beschikbare informatie wil terugdraaien, maar dat de mensen, nu zij de beschikking hebben over zoveel mogelijkheden, vooral zullen kiezen voor prikkelende en niet voor de meer verlichte opties. (Met verlichte optie bedoel ik de keuze voor meer informatie en een kritische houding.) Slechts een kleine minderheid zal die keuze maken met als gevolg dat de kloof tussen 'have's' en 'have not's', sommigen spreken van informatieproletariaat en informatie

Het laatste punt dat ik hier aan de orde wil stellen, is de gemeenschappelijke informatie die mensen tot hun beschikking hebben en de verwantschap die daaruit voortkomt. Televisie is een medium dat, volgens mij, de gedachte van de Verlichting het meest consequent ingevuld heeft. Als we kijken naar de krantenwereld, zien we dat in het verleden, voor de opkomst van de televisie, veel meer mensen kranten lazen. Maar kranten waren vaak heel sterk ideologisch georiënteerd. Er was sprake van een zekere verzuiling. Mensen hadden dus een forum dat op zijn minst gedeeltelijk hun attitudes representeerde. Dit forum werkte perfect, maar de lezers hielden zich niet noodzakelijk bezig met dezelfde thema's als mensen uit een heel andere sociale groepering.

Ik sta achter de hypothese dat de televisie het idee van de Verlichting door de verschillende sociale groepen heen pas mogelijk heeft gemaakt. Mensen konden op hun werkplaats over precies dezelfde dingen spreken. Soms was dat een politieke gebeurtenis, iets uit een nieuwsbericht dat ze hadden gezien, maar het kon ook een spannende speelfilm zijn of een misdaadserie. We zien dat naarmate er meer informatiemogelijkheden bestaan, deze concensusmaatschappij misschien niet verdwijnt, maar wel afbrokkelt. Ik denk dat we wellicht aan het einde van de klassieke massacommunicatie zijn aangekomen. Massacommunicatie niet in de zin dat alle mensen dezelfde houdingen hebben, maar dat ze gemeenschappelijke thema's hebben, of het nu gaat om een minder hoog opgeleide werknemer of een filosoof. Met de toenemende mediale communicatieve mogelijkheden kan iedereen een zo specifieke selectie voor zichzelf maken dat steeds beter aan zijn behoeften voldaan wordt. Iemand hoeft dus geen kennis meer te nemen van dingen die hem misschien net iets minder aanspreken, zoals dat vroeger wel het geval was. De kans op gemeenschappelijke thema's neemt daardoor af.

De consequentie van dat alles is niet een terugkeer naar een beperkt aantal mediale mogelijkheden, maar dat wij heel goed moeten nadenken, hoe wij onze maatschappij in de toekomst als forum voor mensen willen definiëren. Dat wordt er niet gemakkelijker op, omdat de nieuwe referentiekaders niet meer noodzakelijk binnen de nationale cultuur of binnen de taalcultuur liggen. Jonge mensen zeggen steeds vaker dat ze veel meer gemeenschappelijk hebben met een vriend in Hawaï die ze nooit persoonlijk hebben ontmoet, maar die dezelfde muziek leuk vindt, dan met hun buren.

Het is belangrijk dat we daarover nadenken, onafhankelijk van de traagheid van deze processen en de verschuivingen van referentiekaders van een geografische, nationale, culturele omgeving naar een digitaal-globale. Ik denk daarbij niet aan de wereld als een grote stad, 'Global Village', maar liever aan duizenden 'global villages' die steeds beter contact met elkaar hebben binnen het 'global' dorpje zelf, ongeacht etnische en culturele grenzen. Ik denk dat dat iets is om over na te denken, en dat geldt voor werken, dat geldt voor vrijetijdsbesteding, dat geldt voor maatschappelijke participatie. Dat vind ik een spannende en belangrijke uitdaging voor de toekomst.

Ik eindig deze lezing met de hoop dat mensen zich ondanks al die technische mogelijkheden bewust zijn dat ze niet alles weten, ook in een situatie waar in de media alles, maar dan ook alles, bespreekbaar is. In feite weten ze nog steeds niet meer dan hun eigen capaciteit toelaat: 'Oida ouk oida'.


Prof. dr. Jo Groebel is hoogleraar 'Sociale Wetenschappen, in het bijzonder de psychologie van de massacommunicatie' in de Faculteit Sociale Wetenschappen van de Universiteit Utrecht.

***