socrates

DE TOEKOMST VAN MULTICULTUREEL NEDERLAND

WAT STAAT ER NAAST DE TOREN VAN BABEL EN DE BIBELEBONTSE BERG?

Jan Willem Duyvendak
Socrateslezing 1998

< Inhoud >
<
Inleiding >< Humanisme en Bibelontisme >< Menging >
< Kiezen of Delen >< Literatuur
>

Deze Socrateslezing zou ik graag willen beginnen met een Nederlandse klassieker, het versje 'De Bibelebontse berg':

Op de Bibelebontse berg, staat een
Bibelebonts huis;

in dat Bibelebontse huis, wonen
Bibelebontse mensen;

en die Bibelebontse mensen, hebben
Bibelebontse kinderen;

en die Bibelebontse kinderen eten
Bibelebontse pap,

met een Bibelebontse lepel uit een
Bibelebontse nap.

(Uit: S. Abramsz en Bert Bouman, De mooiste rijmpjes en versjes uit de oude en de nieuwe doos, Amsterdam 1998)

Dit gedicht zal met name monoculturalisten aanspreken. En Nederland kent steeds meer mono-culturalisten, zo blijkt uit de recent opgelaaide discussie over de (on)mogelijkheid van een `multiculturele' samenleving. Maarten van Rossem stookte het monoculturele vuurtje op door in een column in de Volkskrant (2 september 1998) te beklemtonen dat Nederland geen multiculturele natie is. Hij stelde: 'Dat Nederland helemaal geen multiculturele staat is, is maar goed ook. Staten waar daadwerkelijk meerdere culturen naast elkaar bestonden, hebben in de afgelopen eeuw over het algemeen geen gelukkige geschiedenis gekend.' Er volgden verbaasde en gekrenkte reacties. Wil Van Rossum het feitelijk bestaan van een pluriforme samenleving in Nederland ontkennen? En wat betekent zijn stelling voor de talloze landen die al langere tijd meerdere culturen of taalgroepen kennen?

Het monoculturele offensief leek enige steun te vinden in het Sociaal en Cultureel Rapport 1998 dat vlak daarna verscheen. Hierin benadrukt het SCP dat Nederland au fond een relatief homogeen land is waarin 'westerse waarden' als secularisme en individualisme domineren. Nederland is niet multicultureel, maar hoogstens multi-etnisch: er bestaat een dominante cultuur en minderheden hebben geen andere keus dan zich aan te passen of marginaal te blijven. Het SCP ontkent niet alleen het bestaan van een multiculturele samenleving op dit moment; het bureau meent ook dat multiculturaliteit nooit en te nimmer zal bestaan. Het SCP schrijft dat (ik citeer): 'Een werkelijk multiculturele samenleving een intrinsieke onmogelijkheid vertegenwoordigt' (p. 8), en zal leiden tot landen 'wier samenleving in submaatschappijen uiteenvalt. Deze landen gelden in het algemeen niet als wenkend perspectief voor Nederland' (idem, p. 267).

Het Nederland van Van Rossem en het SCP lijkt voorwaar een beetje bibelebonts. Nederland, het land dat zich laat voorstaan op zijn tolerantie en respect voor verschillen, de natie van minderheden, blijkt het land van één groep te zijn - met slechts in de periferie enige ruimte voor nieuwkomers, waarvan hoogstens de culinaire en muzikale kwaliteiten geapprecieerd worden. Dit land tolereert de vreemdeling op voorwaarde dat hij of zij assimileert. Van het vredig naast elkaar bestaan van meerdere culturen lijkt weinig sprake te zijn - sterker nog: weinig sprake te kunnen zijn.

Het gaat hier om twee kwesties. In de eerste plaats de feitelijke vraag: hoe homogeen, monocultureel is Nederland? En in de tweede plaats de normatieve vraag: wat hiervan te vinden? Moeten we met Van Rossem hopen dat Nederland relatief homogeen blijft? Of is multiculturaliteit nastrevenswaardig, een goede vorm van wishful thinking? Voordat ik op deze twee vragen inga, wil ik erop wijzen dat de monoculturele stroming de laatste jaren al in opmars was. Anil Ramdas stelde in zijn Socrateslezing in 1997 naar aanleiding van zeven jaar minderhedendebat niet voor niets de volgende vraag: 'Is er een heus en open debat gevoerd over de rechtmatigheid van groepserkenning in een moderne democratie, over de relatie tussen de collectieve identiteit en het persoonlijke karakter, over de overgang van traditie naar moderniteit, over het nut van de koloniale geschiedenis, over de werking van herinnering, heimwee, spijt en hoop en andere verwarrende gevoelens?' Ramdas antwoordde ontkennend op deze vraag. Tot zijn schrik was een geheel andere opinie dominant geworden, te weten: 'Moslims komen uit een achterlijke cultuur en moeten zich hier klakkeloos aanpassen aan onze hogere beschaving en anders teruggaan naar waar ze vandaan komen. Dat is eerlijk, maar ook lomp en bot. Asielzoekers moeten begrijpen dat dit land overvol is en al genoeg heeft doorstaan met de reeds toegewezen vreemdelingen. Dat is eerlijk, maar ook ruw en harteloos.' (p. 221) Ramdas vroeg vorig jaar om een andere benadering - ik zou nu zeggen om een minder monoculturele - maar de afgelopen maanden hebben verschillende groepen, waaronder opnieuw asielzoekers, aan den lijve kunnen ondervinden dat het Bibelebontse denken alleen maar aan kracht lijkt te hebben gewonnen. De Bibelebontse berg zou graag een burcht willen zijn.

Maar wat is nu precies een 'monocultureel' land? En waarom zou Nederland monocultureel moeten zijn? Terug naar de twee genoemde vragen: hoe monocultureel is Nederland feitelijk en in hoeverre is het wenselijk om dat te zijn dan wel te blijven?


HUMANISME EN BIBELEBONTISME

inhoud van deze lezing

Om de feitelijke vraag te kunnen beantwoorden, moeten we eerst weten wat onder mono- en multiculturaliteit wordt verstaan. Beatrijs Ritsema maakte in haar bijdrage aan de discussie een nuttig onderscheid tussen gedeelde waarden enerzijds en gemeenschappelijke normen, omgangsvormen en praktijken anderzijds (NRC Handelsblad, 26 oktober 1998). Zij en anderen wezen erop dat vooral de variatie in waarden in Nederland kleiner is dan wel wordt gedacht. Denken niet heel veel Nederlanders, waaronder veel nieuwe Nederlanders, hetzelfde over belangrijke waarden die maken dat dit land met recht en reden een liberale democratie kan worden genoemd? Hoe groot is de groep die iets wil veranderen aan de grondrechten die ieders vrijheid en gelijkheid garanderen (althans de gelijke behandeling van een ieder die legaal in Nederland verblijft)? Natuurlijk, er is racisme, er is sprake van sekse-ongelijkheid en homofobie, maar politici die menen dat het eigen volk eerst komt, dat vrouwen geen lid mogen worden van een politieke partij, of dat homoseksuelen vergeleken kunnen worden met dieven, verdwijnen uit de Tweede Kamer of leiden een marginaal bestaan. Dit is verheugend en opmerkelijk; er bestaat een royale meerderheid met een vergelijkbare mening over wat 'waardevol' is. Juist in Nederland is bijna de gehele bevolking door de grote culturele veranderingen van de jaren zestig en zeventig beroerd. Nederland veranderde van een tamelijk achterlijk en burgerlijk verzuild land binnen een periode van tien jaar in een van de meest vrijzinnige landen van Europa. Toen de zuilen werden opengebroken, wilde iedereen emanciperen en ontstond een, qua waarden, opvallend homogeen land. In Nederland is (gelukkig) van werkelijke waardenconflicten nog maar weinig sprake. Natuurlijk, voorzover ze er zijn, bijvoorbeeld rondom abortus of vrouwenbesnijdenis, gaat het om ernstige botsingen waarin met liberale waarden niet mag worden gemarchandeerd.

Het is van belang om hier in humanistisch verband vast te stellen, hoe uniek het is dat er in het geseculariseerde Nederland een brede politieke en maatschappelijke overeenstemming over waarden bestaat. Het humanisme heeft gezegevierd. Het humanisme heeft in de afgelopen vijfentwintig jaar een grandioze 'overwinningsnederlaag' behaald (dan wel geleden). Misschien heeft het humanisme een profileringsprobleem, maar dit vloeit dan voort uit het succes van de welhaast alom gedeelde humanistische waarden (zeker wanneer we vrijzinnig christenen voor het gemak ook tot hen rekenen die 'humanistische' waarden delen).

Humanisten zijn echter geen monoculturalisten; zij voelen zich op een Bibelebontse berg bepaald niet thuis. Het is eerder andersom: de gedeelde humanistische waarden zouden idealiter de vreedzame beleving van verschillen in cultuur, in leefwijze, in gebruiken en gewoonten, mogelijk moeten maken. Het humanisme waardeert immers, zij het niet ongeclausuleerd, verschillen tussen groepen en individuen. Uit de gememoreerde discussie blijkt niettemin dat de gedeelde waarden lang niet overal en altijd leiden tot veel ruimte en respect voor verschillen in gebruiken, praktijken en normen tussen bevolkingsgroepen. Monoculturalisten vallen over elk resterend verschil; ze zijn onverdraagzaam ten aanzien van welhaast iedere culturele manifestatie van een minderheid.

Een voorbeeld. Wie terugkijkt op de discussies over de Gay Games kan constateren dat monoculturalisten in Nederland ook problemen hebben met culturele uitingen van groepen die royaal binnen de liberale waarden blijven (en daar zelfs enorm bij gebaat zijn). De Gay Games leidden tot conflicten tussen liberalen (in de brede zin van het woord liberalen), ook al omdat een partijpolitieke liberaal als Gerry van der List slecht met verschil om bleek te kunnen gaan. De Bibelebontse droom van deze monoculturalisten is dat verschillen niet langer worden gemanifesteerd. Er bestaat, zoals de filosoof Koenis recentelijk heeft gesteld, inderdaad een diepgeworteld verlangen naar één gemeenschap (Koenis 1997), of anders gezegd: een afkeer van meerdere publieke gemeenschappen, van zich manifesterende subculturen (wat er in de privé-sfeer gebeurt, is minder inzet van discussie). Het merendeel van de conflicten in Nederland heeft met waarden weinig uit te staan. Het zijn veeleer gevechten om het recht op cultureel verschil, op culturele `eigenheid' in de publieke ruimte. En dan blijkt dat er over smaak inderdaad stevig getwist kan worden.

Het is naar mijn idee dus onjuist om de woordenstrijd over het hoofddoekje op de openbare school of het lendedoekje tijdens de canal parade te formuleren in termen van een waarden-strijd. Dat is veel te diep gedacht; dat is welhaast een fundamentalistische reactie, die van de weeromstuit bij betrokkenen de gedachte oproept dat ze misschien inderdaad echt heel anders zijn; dat de hoofd- en de lendedoek een principieel, allesomvattend verschil met de buitenwereld zouden markeren (leidend tot de pijnlijke misvatting dat publieke ontkleding het toppunt van bevrijde seksualiteit zou zijn).

Laten we voortaan, heel naïef, de dingen meer nemen zoals ze zich voordoen - en niet als manifestaties, als epifenomenen van bepaalde waardenstelsels; laten we de botsingen in Nederland nu eens meer als lokale conflicten zien, en niet à la Huntington en Bolkestein als grensgevechten tussen wereldreligies, als civilisatie-clashes die om beschavingsoffensieven vragen. In Nederland draait het (let wel: veelal) om een ander type conflicten: ook toen heel Nederland elkaar in de haren zat over het positieve actiebeleid (Verhaar 1998), was en bleef het een debat onder liberalen (in brede zin), onder humanisten. De heftigheid van deze en andere discussies verraadt, hoe groot de onderlinge verwantschap tussen de groepen is en hoe immens het onbegrip voor resterende verschillen. Recentelijk heeft de antropoloog Anton Blok dit 'narcisme van de kleine verschillen' (Freud) aangewezen als oorzaak van veel hedendaagse conflicten in de wereld. En hij stelt, tegenover de assimilatiedrang van Van Rossem en anderen, dat juist 'the loss of cultural differences represents a threat' (1998, p. 49). Zijn artikel geeft te denken. Zou de homogenisering van waarden ook in Nederland een gevaarlijk gebrek aan waardering voor resterende verschillen met zich meebrengen? Zou er daarom door monoculturalisten voor de grote gevolgen van kleine verschillen worden gewaarschuwd?

Waarom het ook is, monoculturalisten verdragen geen manifeste verschillen, dat wil zeggen groepsverschillen. Difference troubles, zoals Steven Seidmans laatste boek heet. In het monoculturele wereldbeeld bestaan er louter individuen, die zich vooral niet op hun etniciteit, sekse, leeftijd, nationaliteit of seksualiteit voorstaan. Kernpunt in deze moderne conflicten is de manifestatie van de groep, preciezer: de zich van de meerderheid onderscheidende groep. Ik verklaar mij nader.


MENGING

inhoud van deze lezing

Ook als we recente conflicten in Nederland begrijpen als letterlijk waarden-loze schermutselingen, dan zijn we met monoculturalisten nog niet klaar. Want zij lijken van mening dat in een modern land groepen überhaupt uit de tijd zijn. Het monoculturalisme is een radicaal individualisme: mensen moeten als individuen door elkaar heen verkeren zonder aanzien des persoons, ongeacht hun seksuele voorkeur, leeftijd, kleur, klasse, etc. Dit ongeacht-denken heeft veel Nederlandse politici in zijn greep. Het maken van verschillen tussen groepen ligt zowel bij liberalen als bij sociaal-democraten slecht: bij de eersten omdat zij als individualisten al langere tijd van groepen gruwen, bij de laatsten omdat zij verschillen vooral in termen van ongelijkheid zien. De paarse coalitie is op een verrassende manier één in haar verlangen naar een gemeenschap van individuen. Niet toevallig ligt het accent in het minderheden- en vluchtelingenbeleid zo sterk op aanpassing, op assimilatie: de verplichte inburgering van nieuwkomers en oudkomers is paradigmatisch voor de paarse filosofie dat verschillen tussen groepen vooral wijzen op achterstand en zo snel mogelijk teniet moeten worden gedaan.

Menging van individuen is het trefwoord van monoculturalisten: verschil wordt onzichtbaar gemaakt door menging en spreiding. Monoculturalisten koesteren de droom van de melting pot, niet om de diversiteit te beleven maar om deze te neutraliseren. Zo gaat het in het volkshuisvestingsbeleid tamelijk expliciet om de menging van de bevolking: er wordt gestreefd naar een meer diverse bevolkingsopbouw in die wijken die gekenmerkt worden door, wat dan heet, een 'concentratie' van mensen uit een bepaalde groep, bijvoorbeeld met een laag inkomen of van een zekere etniciteit. De homogeniteit van lage inkomenswijken moet worden doorbroken door koopwoningen te bouwen waardoor stijgers uit de wijk kunnen worden vastgehouden of meerverdieners naar de wijk toe kunnen worden getrokken. Deze zogenaamde differentiatie-politiek is gericht op menging van verschillende sociaal-economische milieus, hetgeen met name noodzakelijk wordt geacht in wijken die sterk multicultureel zijn. Dit beleid leidt tot een 'verdunning' van problemen en spreiding van groepen. Hoewel de politiek is gericht op versterking van de sociale cohesie, dreigt met name de cohesie binnen groepen hierdoor te worden verzwakt.

Menging is niet alleen het hoogste streven van veel politici, volkshuisvesters en welzijnswerkers. Uit onderzoek verricht bij mijn Leerstoel `samenlevingsopbouw' in Rotterdam blijkt dat ook de (Rotterdamse) bevolking, let wel: in theorie, de gedachte onderschrijft dat 'concentratie' ofwel groepsvorming moet worden voorkomen. Ik zal u enkele resultaten geven van een onderzoek naar al dan niet gemengd sporten van allochtonen en autochtonen. In een enquête vroegen we wat Rotterdammers vinden van het apart sporten van gehandicapten, vrouwen, studenten en migranten; wat ze dachten over de Joodse Wereldspelen, de gehandicapten spelen en de Gay Games. Kort samengevat luidde het antwoord van de overgrote meerderheid dat 'ongemengd' sporten alleen wenselijk is wanneer daartoe een fysieke aanleiding is; wanneer sprake is van ongelijke fysieke mogelijkheden (leeftijd, sekse, handicap). Van studenten werd apart sporten nog wel getolereerd (wellicht ook omdat dat per definitie een voorbijgaand, leeftijdsgebonden fenomeen is), maar de helft van de Rotterdamse bevolking vond dat het apart sporten van homoseksuelen ongewenst was of zelfs verboden moest worden, terwijl 90% de groei en bloei van allochtone sportverenigingen een ongewenste ontwikkeling vond - waarbij opviel dat ook sommige allochtonen deze mening ventileerden, zelfs die allochtonen die op een 'allochtone' vereniging zaten.

Het onbegrip over het apart sporten van allochtonen, homoseksuelen en joden, is soms groot. Deze nieuwe groepen zouden moeten opgaan in algemene verenigingen. Er bestaat geen begrip voor de ontwikkeling dat mensen zich vandaag de dag op basis van etniciteit, seksualiteit en - nog steeds - sociale komaf organiseren. Het is, zoals altijd bij verontwaardiging, selectieve verontwaardiging: zo hebben samensportende homoseksuelen heel wat uit te leggen, evenals samenvoetballende Kaapverdianen of Surinamers. Sommige verschillen zijn blijkbaar net iets minder gewoon dan andere verschillen. Soms is groepsvorming vanzelfsprekend en onomstreden, in andere gevallen wordt er hoofdschuddend op gereageerd.

Niet alleen de noviteit van de groepen lijkt irritatie op te roepen, ook waar en waarin de nieuwe groepen hun collectieve identiteit beleven, stuit regelmatig op gefronste wenkbrauwen. Zo riepen de Gay Games verbazing op door de combinatie van sport en seksualiteit, en door de manifestatie van beide in het centrum van Amsterdam. Maar is deze combinatie en manifestatie zo wonderlijk in een wereld waarin zowel sport als seksualiteit belangrijk zijn geworden? Monoculturalisten lijken zich ongemakkelijk te voelen bij nieuwe groepsvorming, ook al omdat ze ten onrechte menen dat moderne mensen, zoals zijzelf, louter individuen zouden zijn.

Recent onderzoek wijst echter uit dat sportbeleving van het grootste belang is geworden voor de identiteit en de sociale contacten van heel veel mensen. Hier maken mensen vrienden, en niet meer in de kerk. Sport verschaft identiteit - en juist daarom zoekt men dat gezelschap waarin men verwacht vrienden te kunnen maken. Zoals in het rapport God in Nederland te lezen valt: 'Het gevoel van verbondenheid met bepaalde groepen mensen zegt iets over het belang dat mensen aan bepaalde aspecten van het leven hechten. (...) Het blijkt dat Nederlanders zich over het algemeen sterk verbonden voelen met mensen met dezelfde opleiding en hetzelfde soort werk enerzijds en mensen met dezelfde interesses in sport of vrijetijdsbesteding anderzijds. Deze terreinen en aspecten van het leven, die in de samenleving een grote plaats innemen, zijn zowel in het persoonlijk leven van mensen als voor de integratie in de samenleving van belang.' (gecit. uit Dekker et al, 1997, p. 29 en verder, cursivering JWD)

Op nieuwe velden organiseren zich nieuwe groepen, en de monoculturalisten schrikken hiervan. Waar in theorie velen het ongeacht-denken aanhangen, daar manifesteren zich in de praktijk voortdurend groepen op basis van een bepaalde grondslag of een gemeenschappelijk kenmerk, om aangenaam onder elkaar te verpozen en geenszins met de intentie om met anderen te verkeren. Deze empirische ontwikkelingen ondermijnen de mengingsmoraal: in theorie staan velen dan wel menging voor en wordt er gegrinnikt om groepsvorming op basis van etniciteit, inkomen of seksualiteit, maar in de praktijk kiezen mensen gelijkgestemden en gelijkgezinden om mee te sporten, mee te wonen en zeker ook om hun kinderen mee te laten opgroeien op school. Ook de monoculturalisten. Dit opzoeken van de 'eigen groep' komt niet alleen, en zelfs niet overwegend voort uit buitensluiting of manifeste discriminatie, maar veeleer uit het simpele verlangen om 'onder elkaar' te zijn.


KIEZEN OF DELEN?

inhoud van deze lezing

Soms is moeilijk te bepalen of een keuze voor een bepaalde groep of identiteit positief gemotiveerd is dan wel moet worden gekwalificeerd als 'vermijdingsgedrag', om een term van Jos de Beus te lenen. (De Beus 1998) Maar wat het motief voor groepsgedrag ook is, het komt veel voor, bij veel groepen en op veel velden. En dat maakt het mengingsideaal van monoculturalisten ook zo paradoxaal: menging moet, menging is goed, maar dan toch vooral voor anderen. Het ideaal is gemengde sportverenigingen, gemengde buurten, en samen naar school, als individuen, ongeacht de kleur of de klasse. Het ideaal is een gemengde samenleving waarin mensen individuen zijn en geen leden van groepen. Dat is de dragende gedachte die ten grondslag ligt aan vele mengingsstrategieën - maar het feit dat er voortdurend moet worden ingegrepen om dit ideaal te benaderen, wijst er al op dat de praktijk bepaald niet spoort met de theorie. Want als individuen de keuze hebben om te sporten met wie ze willen, te wonen waar ze wensen en hun kinderen naar de school te sturen die ze verkiezen, dan zien we dat er keurige, spierwitte hockeyclubs ontstaan, dat islamitische scholen als kool groeien, dat homoseksuele kermissen floreren en dat de helft van de witte ouders in Nederland hun kroost naar witte scholen buiten de eigen wijk brengt. Precies in de liberale vrijheid om te kiezen toont zich het communitaristische verlangen (het verlangen naar een eigen groep of gemeenschap). Als er gekozen mag worden, wordt er lang niet altijd gedeeld. Het is inderdaad: kiezen of delen.

Menging is in de praktijk een zeer omstreden ideaal, ook al omdat het voorbij gaat aan mogelijk positieve kanten van groepsvorming. Waarom zou een multi-etnische of een multi-seksuele samenleving per se een samenleving zijn waarin we slechts de verschillen tussen individuen erkennen? Groepen zijn immers niet per definitie gelijk aan zuilen: vertrouwdheid hoeft niet altijd samen te gaan met benauwdheid. Mensen organiseren zich niet alleen door omstandigheden gedwongen in groepen als ze ziek, zwak of zondig zijn - vanwege discriminatie -, maar ook vrijwillig in tijden van voorspoed en welzijn. Kijkt u maar naar uw eigen sociale omgeving; of nogmaals naar de Gay Games, of naar de organisaties van allochtone studenten aan de universiteit: zij laten zich bepaald niet begrijpen in een perspectief van louter achterstelling en discriminatie. Blijkbaar is het idee dat een geëmancipeerde samenleving een totaal geïndividualiseerde samenleving is, in werkelijkheid een fictie. Mensen organiseren zich in groepen en bouwen eigen instituties; niet uit zieligheid, en dus ook zeker niet tijdelijk, niet louter om later beter te kunnen integreren, maar gewoon om onder elkaar te zijn. Islamitische scholen bezien als een tijdelijke noodzaak, zou weleens een grote vergissing kunnen zijn. Mogelijk gaat het om een permanent fenomeen, passend in een pluriforme samenleving.

Zeker, de voorstanders van menging kunnen op veel negatieve aspecten van groepsvorming wijzen met de barre en bizarre ervaringen van de Nederlandse verzuiling nog vers in het geheugen. Toch zou het te kort door de bocht zijn om nieuwe groepsvorming daaraan gelijk te stellen en op grond van 'ons' zuilen-eczeem (Gowricharn 1998) af te wijzen. De discussie zou moeten gaan over de mate van openheid van de oude en nieuwe verbanden. Zijn het misschien toch benauwde nieuwe zuiltjes, waarin wordt voorgeschreven hoe de ware migrant, moslim, homoseksueel of bible belter zich moet gedragen? Wat of wie garandeert dat individuen zich aan een groep kunnen onttrekken? En niet minder belangrijk: verstaan mensen elkaar nog door de groepen heen, of is de Bibelebontse berg veranderd in de Toren van Babel: ondermijnt de nieuwe groepsvorming op etnische, religieuze, seksuele, leeftijds- en leefstijlbasis al het gemeenschappelijke? Verdwijnt zelfs de gedeelde humanistische basis, of is er - naast verschillen - ook sprake van gemeenschappelijke waarden, een gedeelde taal en overlappende lidmaatschappen en leefstijlen?

De mogelijkheid om aan een groep, een subcultuur, een club of een gemeenschap te ontsnappen is bij uitstek het liberale criterium om paal en perk te stellen aan communitaristische tendensen (exit-optie). Maar, anders dan gesuggereerd in de aanzet tot het nieuwe PvdA-beginselprogramma, hoeven de emancipatiekansen van het individu niet a priori tegenover groepsvorming te worden gezet, al was het maar omdat groepen vaak aan individuele emancipatie en ontplooiing bijdragen. De discussie zou minder gericht moeten zijn op de 'grenzen aan de groep' en meer op wat de groepsidentiteit behelst. Juist als wordt erkend dat bijvoorbeeld de homosubcultuur kan bijdragen aan de ontplooiing van homoseksuelen, dan kan de discussie vervolgens gaan over wat die homoseksuele identiteit inhoudt, in hoeverre van benauwende verzuiling in de subcultuur sprake is (Duyvendak 1994), welke voorwaarden gesteld mogen worden aan een groep die zich publiekelijk in het centrum van de hoofdstad wil manifesteren, en dergelijke.

Het is de liberale vrijheid om te kunnen kiezen die in de praktijk aanleiding geeft tot groepsvorming. En omdat het liberale 'kiezen' lang niet altijd tot 'delen' leidt, hebben de monoculturalisten een probleem. Een groot en ingewikkeld probleem, ook al omdat vooral veel Nederlandse liberalen een monocultureel geluid laten horen. De VVD heeft dan ook twee verhalen. Enerzijds het verhaal over vrije keuzes van individuen die, voorzover ze bij de ingezetenen van Nederland horen, weinig in de weg wordt gelegd, zelfs als deze keuzes uitmonden in (elitaire) groepsvorming. Anderzijds het verhaal over nieuwkomers en andere minderheden die vooral van hun groepskenmerken ontdaan lijken te moeten worden. De minderheden moeten assimileren, moeten mengen. Maar deze twee verhalen botsen: want wat nu als de meerderheid de minderheid niet de kans geeft om te mengen, omdat de gegoede burgerij, om welke reden dan ook, in eigen kring verkeert? Kijk naar de scholen. Alom is er verontwaardiging over het ontstaan van islamitische scholen, of nog erger: Marokkaanse of Turkse scholen. Dat is slecht voor de integratie. NRC Handelsblad wijdde een hoofdredactioneel commentaar aan deze ontwikkeling waarin de betrokken groepen de mantel werd uitgeveegd: moest dit gelet op de integratie wel worden getolereerd? Maar wie sturen hun kinderen nu eigenlijk het minste naar de buurtschool? Dat zijn toch heus witte ouders: zij maken, door hun schoolkeuzes, de integratie op scholen veelal onmogelijk. Toch heeft bijna niemand het over het inperken van de keuzevrijheid van witte ouders: de liberale vrijheid om te kiezen geldt voor de meerderheid, de dwang om zich aan te passen voor de minderheid. Het monoculturalisme van de Nederlandse liberalen toont weinig respect voor culturele eigen-aardigheden van vaak zwakstaande, nieuwe groepen; de liberale selectiviteit van de monoculturalisten maakt groepsvorming van de beter-gesitueerden mogelijk. Deze selectiviteit is niet alleen storend (is menging nu een ideaal voor achterstandsgroepen of voor de hele samenleving?) maar ook zelf-ondermijnend: het maakt het ideaal van menging in de praktijk zo goed als onmogelijk.

Dat achtergestelde groepen soms minder keuzes wordt gelaten, is overigens niet onbegrijpelijk, zeker niet als dit voortkomt uit sociale motieven: uit de zorg dat migranten-kinderen te ver achterop raken. Dit lijkt met name voor progressieve politici een belangrijke reden om monoculturalisme te prediken: het organiseren in eigen verbanden of het bij elkaar gaan wonen in dezelfde buurt zou slechts leiden tot de continuering of zelfs de intensivering van de achterstand. In zijn algemeenheid gaat deze stelling, althans in Nederland, echter (nog) niet op: het sociaal-democratische gelijkheidsdenken heeft te weinig oog voor de leuke en goede kanten van zelforganisaties, van eigen verbanden, van samen-wonen en samen-scholen. Het lijkt tijd dat de PvdA het ongelijkheidsdenken gaat aanvullen met 'verschil-denken', juist omdat verschillen niet alleen vervelend kunnen zijn, maar ook leuk, interessant, verontrustend en nog veel meer. Per situatie moet worden beoordeeld welke betekenis aparte instituties voor betrokkenen hebben. En dan bestaat er bijvoorbeeld een groot verschil tussen een zwarte 'restschool' en een Marokkaanse of een islamitische school. Anders gezegd: groepsvorming is geen probleem, tenminste wanneer het niet wordt gemotiveerd door vermijdingsgedrag, iedereen gelijkelijk de kans heeft om zich in eigen verbanden te organiseren, en individuen de kans hebben om deze ook weer te verlaten.

En daarmee raken we aan een opmerkelijke kwestie: de waarden die aan het begin van dit verhaal voor iedereen leken te gelden - de humanistische basis -, blijken juist volgens de monoculturalisten - die zich op deze westerse waarden beroepen - niet altijd voor iedereen weggelegd. Zo moeten bijvoorbeeld islamitische scholen hun bestaansrecht keer op keer bevechten; zo wordt de inburgeringsplicht selectief gehanteerd (waarom geen gelijke behandeling voor Japanners die zich in Nederland vestigen?); en zo wilden juist veel VVD'ers het burgerlijk huwelijk, als ware het een groepsrecht, voorbehouden aan heteroseksuele relaties, etc.

Ik wil maar zeggen: in de discussie over een multicultureel Nederland nemen monoculturalisten een onmogelijke en inconsistente positie in. Het past liberalen dan ook niet om het monoculturalisme te propageren, zeker niet wanneer deze liberalen er zelf communitaristische praktijken - selectieve groepsverbanden - op nahouden, waardoor zij menging ook nog eens onmogelijk maken. Ik kan het ook anders zeggen, al schiet het filosofisch jargon hier bijna te kort (Favell 1998): in hun omgang met multiculturaliteit zijn de Nederlandse liberalen geen liberalen, maar volbloed communitaristen. Zij staan immers een homogeen Nederland voor met daarbinnen, voor de gezeten burgerij, het recht om in eigen kring te verkeren.

Daarmee heb ik de liberalen onder dit humanistisch gehoor niet voor het hoofd willen stoten. Ik heb juist willen betogen dat echte liberalen geen monoculturalisten zijn. Echte liberalen waarderen pluraliteit en hebben juist veel respect voor sommige verschillen. Echte liberalen zijn humanisten - hoewel niet alle humanisten, partijpolitiek, liberaal zullen zijn. Het interessante van het humanisme is dat het mensen van geheel uiteenlopende politieke kleur in zijn gelederen organiseert. Dat toont dat het humanisme pluralisme voorstaat en verschillen de ruimte geeft. Juist daarom zit de humanistische beweging in de ideale positie om dringende vragen te beantwoorden als: moeten we meer dan waarden delen om pluralisme mogelijk te maken? En moeten er ook grenzen aan plurale uitingen worden gesteld? Het aanvatten van dergelijke vragen biedt ook perspectief voor het humanisme, zeker nu er van een vijand - de christelijke zuilen - steeds minder over blijft. Vandaar tot slot mijn advies: richt uw pijlen niet meer tegen de bijbel maar tegen de Bibelebontse berg. De moderne dogmatiek schuilt in het monoculturalisme. Het is geen toeval dat de Bibelebontse berg en de bijbel etymologisch verwant zijn.


Literatuur:

inhoud van deze lezing

Beus, J. de, De cultus van vermijding. Visies op migrantenpolitiek in Nederland (Utrecht, Forum, 1998).

Blok, A., 'The Narcissism of Minor Differences', in: European Journal of Social Theory, jrg. 1, nr. 1, 1998, p. 33-56.

Dekker, G., J. de Hart en J. Peters, God in Nederland, 1966-1996 (Anthos, RKK/KRO, 1997).

Duyvendak, J.W. (red.), De verzuiling van de homobeweging (Amsterdam, SUA, 1994).

Duyvendak, J.W., A. Krouwel, R. Kraaijkamp, N. Boonstra, Integratie door sport? Een onderzoek naar gemengde en ongemengde sportbeoefening van allochtonen en autochtonen (Rotterdam 1998).

Favell, A., 'Multicultureel burgerschap in theorie en praktijk. Empirische analyses in de toegepaste politieke filosofie', in: Krisis. Tijdschrift voor filosofie, nr. 72, 1998, p. 67-85.

Gowricharn, R.S., Hollandse contrasten. Over de keerzijde van sociale integratie (Apeldoorn/Utrecht, Garant/Forum, 1998).

Koenis, Sj., Het verlangen naar gemeenschap. Over moraal en politiek in Nederland na de verzuiling (Amsterdam, Van Gennep, 1997); zie ook het aan dit boek gewijde dossier in Krisis. Tijdschrift voor filosofie, nr. 71, 1998, p. 5-27.

Ramdas, A., 'De nerveuze samenleving. Een beschouwing over multiculturalisme. Socrateslezing 1997', in: Rekenschap, december 1997, p. 213-224.

SCP, Sociaal en Cultureel Rapport 1998. 25 jaar sociale verandering (Rijswijk, Sociaal en Cultureel Planbureau, 1998).

Seidman, S., Difference troubles. Queering social theory and sexual politics, (Cambridge, Cambridge University Press, 1997). Verhaar, O., Recht doen aan pluriformiteit als politieke opgave (Amsterdam, Thesis, 1998).

Prof. dr. Jan Willem Duyvendak studeerde sociologie en filosofie in Groningen en Parijs en promoveerde in Amsterdam op een onderzoek naar nieuwe sociale bewegingen in Frankrijk. Hij is onder andere bijzonder hoogleraar 'Wetenschappelijke grondslagen van het opbouwwerk' bij de Faculteit der Wijsbegeerte van de Erasmus Universiteit Rotterdam. Hij is directeur van het Hilda Verweij Jonker Instituut.

***